Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 3 februari 2017

Onder 6.4 College van Beroep voor het bedrijfsleven 3 februari 2017

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 3 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:49.

Het betoog van appellante dat, omdat de consument tevens voor een persoonlijke garantsteller kon kiezen, de garantstelling door [naam 2] geen verplichte nevendienst was, zodat de kosten die daarvoor werden gemaakt niet tot de kosten van het krediet moeten worden gerekend, volgt het College niet. Voor een consument die van appellante een krediet wilde ontvangen was een garantstelling hoe dan ook vereist. Voor een overgroot deel van de consumenten kwam dat in de praktijk neer op een garantstelling door [naam 2] . Uit de cijfers van appellante zelf blijkt namelijk dat zij in 99,5% van de gevallen een krediet verstrekte met garantstelling door [naam 2] . Daaruit blijkt dat de keuze van de groep consumenten waarop appellante zich richtte overwegend uitging naar deze variant van haar product. Deze groep van consumenten, met een vraag naar snel, makkelijk en zeker krediet, zag zich in de praktijk gelet op deze gegevens vrijwel zonder uitzondering genoodzaakt tot het aangaan van een garantstellingsovereenkomst met [naam 2] , ondanks de hoge kosten die daarmee waren gemoeid in relatie tot de hoogte van het krediet. Daarbij betrekt het College dat, naar AFM heeft opgemerkt, een consument die kan beschikken over een persoonlijke garantsteller gewoonlijk van die persoon wel het benodigde krediet kan verkrijgen. Om van appellante een krediet op de geadverteerde voorwaarden te kunnen verkrijgen, waren de consumenten waarop appellante zich met de kostendragende variant van haar product richtte, derhalve praktisch gesproken verplicht de garantstellingsovereenkomst met [naam 2] aan te gaan en daarvoor de hoge premiekosten te betalen. Daarom moet worden gesproken van een verplichte nevendienst. De voor deze nevendienst verschuldigde kosten moeten naar het oordeel van het College dan ook tot de totale kosten van het krediet voor de consument worden gerekend. Dat een zowel relatief als absoluut verwaarloosbaar aantal van de klanten zonder kosten een krediet van appellante kon ontvangen door een persoonlijke garantsteller aan te brengen doet hieraan niet af. Het betoog van appellante dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de aard van haar verdienmodel, inhoudende dat met het verstrekken van kredieten niet werd beoogd om winst te behalen maar het realiseren van “traffic” op haar website en in zoekmachines, kan, wat hier verder ook van zij, evenmin afdoen aan voorgaande conclusie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4e0572ce7c382d6892f12adc27e867b8307c53670defdbc38f2f733c6ad5eca6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4e0572ce7c382d6892f12adc27e867b8307c53670defdbc38f2f733c6ad5eca6, en de alinea staat in dat document op bytes 21474 tot 23899.