Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 9 februari 2017

Onder 6.7 College van Beroep voor het bedrijfsleven 9 februari 2017

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 9 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:54.

Het College overweegt ten aanzien van het oordeel van de accountantskamer in overweging 4.6.11 van de bestreden uitspraak dat klachtonderdeel 6 in zoverre ongegrond is omdat [naam 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 1] de brief van 8 maart 2011 met als onderwerp “stuiting verjaring” kende, het volgende. Uit het dossier blijkt dat de toenmalige advocaat van [naam 2] bij brief van 25 november 2013 aan [naam 1] het hoe en waarom van de vordering uiteen heeft gezet en stukken heeft overgelegd. Blijkens de inventarislijst bij die brief betreffen de bijlagen 30a en 30b, waarnaar de advocaat van [naam 2] verwees, de “aansprakelijkstelling Staat door gemachtigde en reactie namens de Minister”. Die aansprakelijkstelling betreft de in randnummer 3.18 van de brief van 25 november 2013 genoemde brief van 17 maart 2006 van de advocaat van [naam 2] aan de Staat der Nederlanden en de Staatssecretaris van Defensie betreffende aansprakelijkstelling, stuiting verjaring en mededeling van aangifte. In zijn brief van 8 maart 2011 betreffende stuiting verjaring gericht aan onder andere de Staat der Nederlanden en de Staatssecretaris van Defensie heeft [naam 2] naar die brief verwezen. Aannemelijk is dat [naam 1] , anders dan de accountantskamer concludeerde, op de hoogte was van de stuiting van de verjaring. Op bladzijde 18 (en 20) van zijn rapport noemt [naam 1] de brief van 17 maart 2006 ook (in het kader van de aansprakelijkstelling). Ten aanzien van de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 6 leidt het bovenstaande het College echter niet tot een ander oordeel. Naar [naam 1] ter zitting van het College onbestreden heeft gesteld, en ook uit het rapport valt op te maken, heeft het oordeel van [naam 1] dat een deel van de aanspraken van [naam 2] zijn verjaard bij zijn conclusie ten aanzien van de aan [naam 2] te vergoeden (hoogte van de) schade geen rol gespeeld. In de erkenning van [naam 1] ter zitting dat hij zijn oordeel omtrent de verjaring niet in het rapport had moeten opnemen, ziet het College geen aanleiding klachtonderdeel 6 op dit punt alsnog gegrond te verklaren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7b39a77eb2fe4e0f7f97ac312eded986894853a7290ddfbd75a2e5ee7896c591. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7b39a77eb2fe4e0f7f97ac312eded986894853a7290ddfbd75a2e5ee7896c591, en de alinea staat in dat document op bytes 49807 tot 51926.