Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 mei 2018
Onder 8.13 College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 mei 2018
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:187.
Bemelmans heeft twee gevallen gevonden waarin het EHRM een weerlegbaar vermoeden onverenigbaar achtte met art. 6(2) EVRM, waarvan één Nederlands. In beide gevallen ging het om situaties waarin de verdachte een beschuldiging moest ontkrachten door een alternatief scenario te bewijzen, terwijl in beide zaken gerede twijfel bestond aan de beschuldiging. In de Nederlandse zaak ( Geerlings v Netherlands ) ging het om een ontneming van voordeel uit strafbare feiten ter zake waarvan de betrokkene veroordeeld was tot 36 maanden gevangenisstraf, maar deels ook uit andere feiten ter zake waarvan hij was vrijgesproken. De strafkamer van de Hoge Raad achtte dat niet onverenigbaar met art. 6(2) EVRM omdat art. 511b e.v. Sv de betrokkene de gelegenheid bood zich te verdedigen, onder meer door aan te voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat hij de in art. 36e(2) Sr bedoelde soortgelijke feiten heeft begaan, of dat niet aannemelijk is dat de in art. 36e(3) Sr bedoelde andere strafbare feiten hem wederrechtelijk voordeel hebben opgeleverd. Het EHRM achtte zulks onverenigbaar met de onschuldpresumptie:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c68edc28be1d1ace7c16b2c6973e3f864813eda9b5f565f76d50b9a584ac0902. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c68edc28be1d1ace7c16b2c6973e3f864813eda9b5f565f76d50b9a584ac0902, en de alinea staat in dat document op bytes 294011 tot 295309.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c68edc28be1d1ace7c16b2c6973e3f864813eda9b5f565f76d50b9a584ac0902 | shasum -a 256