Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 mei 2018

Onder 8.19 College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 mei 2018

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:187.

Uit het op een bepaalde datum buiten het zicht van de fiscus aanhouden van een bepaald banktegoed vloeit kennelijk reeds een zodanige verdenking voort dat dat vermogen ook nadien nog buiten het zicht van de fiscus bestaat en rendeert, dat dit gegeven roept om een vermoeden-ontzenuwende verklaring door de belastingplichtige. Een dergelijke roep om een verklaring vond de belastingkamer niet uitgaan van het aantreffen van werknemers die niet in de loonadministratie voorkomen: HR BNB 2015/57 betrof het wettelijke vermoeden ex art. 30a (oud) Wet op de loonbelasting dat werknemers die niet in de loonadministratie voorkomen en ter zake van wie geen eerstedagmelding is gedaan, al minstens zes maanden in dienst zijn. Dat vermoeden gold zowel voor de belastingheffing als voor de oplegging van een vergrijpboete (culpoos dan wel doleus delict). Op de beboete inhoudingsplichtige rustte de last te doen blijken (overtuigend aantonen) dat de werknemer niet al zes maanden in dienstbetrekking was of dat deze een lager loon had genoten dan ten tijde van de controle. Voor zover het om het bewijs van het te beboeten vergrijp ging, achtte de Hoge Raad deze regeling onverenigbaar met de onschuldpresumptie:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c68edc28be1d1ace7c16b2c6973e3f864813eda9b5f565f76d50b9a584ac0902. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c68edc28be1d1ace7c16b2c6973e3f864813eda9b5f565f76d50b9a584ac0902, en de alinea staat in dat document op bytes 317994 tot 319344.