Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 19 juni 2018
Onder 4.3 College van Beroep voor het bedrijfsleven 19 juni 2018
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 19 juni 2018, ECLI:NL:CBB:2018:290.
Het College concludeert dat appellant in zijn zienswijze de berekening van de boete door de minister op zichzelf niet heeft bestreden. Ten aanzien van de stellingen van appellant over het hanteren van vaste boetebedragen en de hoogte daarvan merkt het College het volgende op. Zoals het College eerder heeft geoordeeld, brengt artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mee dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding (zie onder meer: ECLI:NL:CBB:2016:355). Voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen vormt artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader waarin de op artikel 6 van het EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of de ingevolge artikel 57 van de Msw voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Het, in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel houdende wijziging van de Meststoffenwet (invoering gebruiksnormen) ten aanzien van artikel 79 van de Msw, ten tijde hier in geding artikel 57 van de Msw (oud) (Kamerstukken II, 2004/05, 29930, nr. 3, p. 125 en 126), toegelichte uitgangspunt dat de boete hoger wordt, naarmate meer gebruiksnormen zijn overschreden en naarmate de overschrijding groter is, acht het College niet onevenredig. Uit de toelichting blijkt voorts dat de hoogte van de tarieven is bepaald op grond van het uitgangspunt dat de bestuurlijke boete – wil zij afschrikwekkend zijn – hoger moet zijn dan het eventueel als gevolg van de overtreding genoten economisch voordeel. Daarbij is uitgegaan van forfaitaire bedragen die zijn afgestemd op de transportkosten voor het afvoeren van mest. De bedragen bevatten derhalve niet alleen een bestraffend element, zodat in die zin de vergelijking met het strafrecht reeds niet opgaat. Geringe draagkracht kan een reden zijn de boete te matigen en het College volgt appellant op zichzelf in het standpunt dat daarbij de actuele situatie maatgevend is. Het is echter wel aan appellant om deze niet alleen te stellen maar ook te onderbouwen. Nu appellant de mogelijkheid heeft gehad zijn zienswijze te geven, maar zijn stelling dat (nog steeds) sprake is van geringe draagkracht niet van een (toereikende) onderbouwing heeft voorzien, vormt het gestelde gebrek aan draagkracht voor het College geen reden de boete verder te matigen. Het College volgt de minister in zijn standpunt dat voorts van overige bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 5:46, derde lid, van de Awb, zoals de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd, niet is gebleken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6015463b9c9d49fb720c07ee1e9e6e5d0779f3393bf376e4777b7357f93fe574. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6015463b9c9d49fb720c07ee1e9e6e5d0779f3393bf376e4777b7357f93fe574, en de alinea staat in dat document op bytes 11960 tot 14866.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6015463b9c9d49fb720c07ee1e9e6e5d0779f3393bf376e4777b7357f93fe574 | shasum -a 256