Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 oktober 2018
Onder 6.2.1 College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 oktober 2018
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:526.
ACM betoogt dat de aangesloten [naam 23] -franchisenemers bij de oprichting van [naam 23] Nederland zelfstandig op de markt opererende ondernemingen waren. De knowhow en eventuele intellectuele eigendomsrechten die [naam 23] Nederland bezat, zijn voortgekomen uit de samenwerking tussen de afzonderlijke leden. [naam 23] Nederland is dus geen franchisegever die knowhow of intellectuele eigendomsrechten heeft overgedragen aan franchisenemers. Het was niet [naam 23] Nederland die door haar ervaring op de markt kennis had opgedaan of een concept had ontwikkeld dat zij vervolgens overdroeg aan andere ondernemingen waardoor zij eenvoudiger een positie op de markt konden veroveren. In dit geval waren het de toegetreden wasserijen die hun reeds bestaande kennis inbrachten in [naam 23] Nederland. De [naam 23] -franchisenemers waren concurrenten van elkaar die de ingebrachte kennis met elkaar uitwisselden. Werkzaamheden die zagen op ontwikkeling van de [naam 23] -formule, zoals een actief marketingbeleid en een uniforme uitstraling van het merk [naam 23] Nederland, werden uitgevoerd door werkgroepen en commissies waarin [naam 23] -leden deelnamen. Daaruit volgt dat niet [naam 23] Nederland, maar de [naam 23] -leden gezamenlijk verantwoordelijk waren voor het ontwikkelen van de [naam 23] -formule. Volgens ACM was ook geen sprake van een verticale overeenkomst, omdat [naam 23] Nederland niet een zelfstandige onafhankelijke rechtspersoon was die op een markt opereerde. Het aandeelhouderschap van de [naam 23] -franchisenemers en de daaraan verbonden rechten van zeggenschap zorgden ervoor dat zij veel invloed hadden op [naam 23] Nederland en feitelijk het beleid van [naam 23] Nederland bepaalden en beslissingen namen die [naam 23] Nederland uitvoerde. [naam 23] Nederland verrichtte uitsluitend diensten ten behoeve van haar aandeelhouders die tevens franchisenemer waren. De relatie tussen de betrokken wasserijen was dus niet verticaal. Er was sprake van een horizontale samenwerking tussen concurrenten, waarbij zij als onderdeel van die samenwerking rayons verdeelden en met elkaar afspraken niet aan acquisitie te doen in elkaars rayon en elkaars bestaande relaties te respecteren. Dat horizontale karakter wordt verder bevestigd door de contacten tussen de [naam 23] -franchisenemers onderling over de rayonverdeling en geschillen daarover. Bij een ‘echte’ verticale franchise behoren zulke geschillen tot het domein van de franchisegever en de franchisenemer. Zij zijn immers de partijen bij de franchiseovereenkomst. De verschillende franchisenemers hebben dan geen contractuele verplichtingen jegens elkaar.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4241bd46b830d6b02248acf985b8afc31ab438c5196fcd902d343468f88bbe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4241bd46b830d6b02248acf985b8afc31ab438c5196fcd902d343468f88bbe, en de alinea staat in dat document op bytes 87978 tot 90626.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1e4241bd46b830d6b02248acf985b8afc31ab438c5196fcd902d343468f88bbe | shasum -a 256