Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 oktober 2018

Onder 9.1.1 College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 oktober 2018

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:526.

Hoewel [naam 1] niet expliciet opkomt tegen het oordeel van de rechtbank over de door ACM gehanteerde ernstfactor van 1, merkt zij daarover op dat de boete bij een hogere ernstfactor exact even hoog zou zijn geweest door toepassing van het wettelijk boetemaximum van 10% van de totale omzet in het jaar voorafgaand aan de boeteoplegging. ACM had daarom aan een andere ‘knop’ moeten draaien. [naam 1] voert aan dat de rechtbank ten onrechte het betoog van ACM onderschrijft dat geen sprake is van relevante boetematigende omstandigheden. Noch ACM noch de rechtbank heeft rekening gehouden met de volgende omstandigheden die volgens [naam 1] moeten leiden tot (i) primair kwijtschelding, dan wel (ii) subsidiair zeer substantiële matiging van de boete. Ten eerste merkt [naam 1] op dat [naam 31] zich na de overname van [naam 33] in maart 2000 geconfronteerd zag met doorlopende leaseverplichtingen die zij niet kon afkopen, waarna zij een gefundeerde afweging heeft gemaakt tussen de ‘plussen’ en de ‘minnen’ van [naam 23] -deelname. Uiteindelijk wogen de ‘plussen’ (de innovatiekracht en de calamiteitenregeling) zwaarder. In zoverre was [naam 1] gedwongen tot [naam 23] Nederland toe te treden. Ten tweede heeft [naam 1] niet dan wel slechts sporadisch deelgenomen aan de vermeende mededingingsrechtelijk bezwaarlijke samenwerking. Ten derde wijst [naam 1] erop dat zij op 31 december 2009 uit [naam 23] Nederland is gestapt. Daarmee heeft zij de vermeende inbreuk eigener beweging gestaakt, zonder dat de aanleiding daarvan is gelegen in het onderzoek van ACM. Ten vierde meent [naam 1] dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat [naam 23] Nederland diverse versies van de franchiseovereenkomsten en de samenwerkingsovereenkomst mededingingsrechtelijk heeft laten toetsen door het advocatenkantoor Bogaerts en Groenen. [naam 1] is van mening dat zij en met haar ook [naam 23] Nederland en de overige [naam 23] -franchisenemers in alle redelijkheid niet behoefden te twijfelen aan de juridische aanvaardbaarheid van de mededelingen en adviezen van dat advocatenkantoor. Om die reden is sprake van afwezigheid van alle schuld, althans een schulduitsluitingsgrond. In ieder geval is dat een boeteverlagende omstandigheid. Verder wijst [naam 1] erop dat zij regelmatig compliancetrainingen organiseerde. Ten slotte stelt [naam 1] dat als boeteverlagende omstandigheid in aanmerking dient te worden genomen het feit dat uit de afnemersenquête overduidelijk volgt dat de ‘impact’ van de gedragingen beperkt - [naam 1] meent primair non-existent - is gebleven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4241bd46b830d6b02248acf985b8afc31ab438c5196fcd902d343468f88bbe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4241bd46b830d6b02248acf985b8afc31ab438c5196fcd902d343468f88bbe, en de alinea staat in dat document op bytes 109415 tot 112022.