Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 oktober 2018

Onder 9.2.1 College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 oktober 2018

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:526.

ACM stelt voorop dat zij geen onderzoek hoefde te verrichten naar de daadwerkelijke gevolgen of concrete schade van de inbreuk door de [naam 23] -wasserijen. Dat [naam 8] een gedeeld rayon had, maakt de overtreding niet minder ernstig, nu zij binnen haar gedeelde rayon werd beschermd tegen concurrenten buiten dat rayon. Voor de bepaling van de ernstfactor kijkt ACM naar het type afspraak. Zoals de rechtbank heeft vastgesteld was sprake van een horizontale afspraak met kenmerken van een marktverdeling. Daarbij vertegenwoordigden de [naam 23] -wasserijen een aanzienlijk deel van de Nederlandse markt, waren zij elkaars naaste concurrenten en besloeg de afspraak geografisch gezien heel Nederland. ACM heeft bij het bestreden besluit de ernstfactor verlaagd van 1,5 naar 1. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat de afspraak vanaf 10 april 2002 is gewijzigd in die zin dat het verbod op passieve acquisitie kwam te vervallen en vanaf die datum als een minder zware inbreuk kon worden beschouwd. Een ernstfactor van 1 zit ruim onder de ernstfactor die ten hoogste voor zware overtredingen kan worden vastgesteld (ten hoogste 2). De ernstfactor van ten hoogste 1 is ook van toepassing op minder zware overtredingen. Voor een verdergaande verlaging van de ernstfactor ziet ACM geen aanleiding. ACM stelt verder dat zij vanwege de bijzondere omstandigheid dat in deze zaak een extra zienswijzeprocedure heeft plaatsgevonden en de opgelopen vertraging in de besluitvorming, de opgelegde boetes met 30% heeft verlaagd. ACM meent dat de overige aangevoerde boeteverlagende omstandigheden geen grond vormen voor een verdere boeteverlaging. ACM wijst erop dat de wetgever ervoor heeft gekozen de maximale boete die aan een onderneming kan worden opgelegd, te koppelen aan de totale jaaromzet van een onderneming. De op basis van de betrokken omzet van de ondernemingen berekende boetes overschrijden in deze zaak het wettelijke boetemaximum. In dat geval wordt de boetehoogte ‘afgetopt’ op het wettelijk maximum. Dat aftoppen verzwakt per definitie de link van de desbetreffende boetes met de ernst en duur van de overtreding zoals die blijkt uit de betrokken omzet. ACM meent dat zij zich voldoende rekenschap heeft gegeven of de uit de Boetecode voortvloeiende boete gelet op alle omstandigheden van het geval evenredig was. Daartoe heeft ACM eerst voor elke wasserij de boete berekend op basis van de betrokken omzet waarin de ernst en de duur van de overtreding zijn verdisconteerd en daarbij de door de [naam 23] -wasserijen naar voren gebrachte boeteverlagende omstandigheden beoordeeld. Vervolgens heeft ACM die evenredig bevonden boete getoetst aan het wettelijke boetemaximum wat heeft geleid tot een aanzienlijke correctie van de boetes. ACM ziet geen reden voor een tweede evenredigheidstoets. Dat betekent niet dat een aftopping op het boetemaximum altijd en automatisch leidt tot een evenredige boete. Een verdere verlaging kan aan de orde zijn als de financiële draagkracht van de beboete onderneming daartoe noopt. [naam 1] , [naam 8] en [naam 9] hebben zich niet op beperkte draagkracht beroepen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4241bd46b830d6b02248acf985b8afc31ab438c5196fcd902d343468f88bbe. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4241bd46b830d6b02248acf985b8afc31ab438c5196fcd902d343468f88bbe, en de alinea staat in dat document op bytes 117733 tot 120863.