Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 april 2019

Onder 9.4.13. College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 april 2019

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:151.

Het College is, met de rechtbank, van oordeel dat [naam 2] door ondertekening van de overeenkomst ook haar dochtermaatschappijen en haar (opvolgende) moedermaatschappijen aan de overeenkomst heeft gebonden. Artikel 6, eerste lid, van de Mw ziet op gedragingen van ondernemingen. Het begrip onderneming omvat elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Het Hof van Justitie heeft gepreciseerd dat onder het begrip onderneming in deze context moet worden verstaan een economische eenheid, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt gevormd door verschillende natuurlijke of rechtspersonen. Voor de vraag of sprake is van een economische eenheid dient in het bijzonder te worden gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die de juridische entiteiten verenigen (vergelijk het arrest van 10 september 2009, zaak C-97/08 P, Akzo Nobel N.V. , ECLI:EU:C:2009:536, overwegingen 54 en 55). [naam 8] heeft niet weersproken dat de door ACM geadresseerde vennootschappen een economische eenheid in de hiervoor bedoelde zin vormen (de [naam 14] ). Dat dit ook daadwerkelijk het geval is, volgt uit de wijze waarop zowel juridisch als feitelijk de zeggenschap binnen de [naam 14] is vormgegeven. ACM heeft onbetwist uiteengezet dat [naam 2] , als 100% aandeelhouder van [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] , daarbij een sleutelpositie inneemt. Gelet daarop was [naam 2] feitelijk en rechtens in staat om namens de economische eenheid waarvan zij deel uitmaakt een overeenkomst met [naam 1] te sluiten. Uit de door partijen gevoerde correspondentie blijkt ook dat zij daadwerkelijk beoogd hebben de [naam 14] als economische eenheid aan de overeenkomst te binden. ACM heeft dan ook terecht vastgesteld dat de overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Mw is gepleegd door [naam 1] als onderneming enerzijds en de [naam 14] als onderneming anderzijds. De [naam 14] moet voor (haar rol in) die overtreding in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid dragen (vergelijk het arrest Akzo Nobel N.V. , overweging 56). Nu niet in geschil is dat de door ACM geadresseerde vennootschappen ten tijde van de overtreding deel uitmaakten van de [naam 14] , heeft ACM [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] terecht ieder als overtreder in de zin van artikel 5:1 van de Awb aangemerkt. Dat ACM reden heeft gezien om de overtreding niet toe te rekenen aan andere tot de [naam 14] behorende vennootschappen doet daaraan niet af.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4a88b16da8f8938bdbd519fa45ccb4daa8b6530bbadb21afe13342c4f630e720. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4a88b16da8f8938bdbd519fa45ccb4daa8b6530bbadb21afe13342c4f630e720, en de alinea staat in dat document op bytes 129991 tot 132675.