Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 april 2019

Onder 2.3 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 april 2019

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:162.

De rechtbank heeft [naam 1] niet gevolgd in haar betoog dat ACM ten minste tot 19 juni 2015 geen handhavingsbevoegdheid jegens [naam 1] kon uitoefenen ten aanzien van de overeenkomsten op afstand. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de overeenkomst op afstand reeds vóór 19 juni 2015, binnen de handhavingsbevoegdheid van 8.2a van de Whc viel. Omdat artikel 8.2a van de Whc vóór de wetswijziging van 19 juni 2015 verwees naar artikel 6:230g, eerste lid, onderdeel c, van het BW omvatte de normering van artikel 8.2a van de Whc destijds ook al dat een handelaar die met consumenten overeenkomsten op afstand aanbood en afsloot, de bepalingen van Afdeling 2b van Titel 5 van Boek 6 van het BW in acht diende te nemen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/97edb2fd2d3f9db452bfe44cd47af8720b4214a08da1d17a24826114d1d57590. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 97edb2fd2d3f9db452bfe44cd47af8720b4214a08da1d17a24826114d1d57590, en de alinea staat in dat document op bytes 10613 tot 11351.