Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 april 2019
Onder 3.8 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 april 2019
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:185.
Bij brief van 8 juni 2018 heeft de minister – kort gezegd – geantwoord dat appellant bij de opgave van de gewaspercelen in 2012 voor de betreffende percelen heeft aangegeven dat hij deze op 1 januari 2012 in gebruik had. Bij een wijziging van die opgave, naar aanleiding van enkele dubbelclaims (dat wil zeggen dat andere landbouwers ook enkele van de door appellant opgegeven percelen hadden opgegeven als behorende tot hun bedrijf) heeft appellant de opgave voor de betreffende percelen niet aangepast. Tijdens de controle heeft appellant verklaard dat hij in overleg met de verhuurder de grond per 1 januari 2012 heeft opgegeven. Hij heeft aangenomen dat er monsters waren en zich pas later gerealiseerd dat deze ontbraken. De door appellant in de herzieningsprocedure ingebrachte afstandsverklaringen werpen op de vraag wanneer de gronden tot het bedrijf van appellant behoorden in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder m, dat wil zeggen vanaf wanneer hij de feitelijke beschikkingsmacht kon uitoefenen, bovendien geen ander licht. Uit de verklaringen blijkt dat appellant in het jaar 2012 kon beschikken over de percelen. Daarbij komt dat de verklaringen die in bezwaar zijn overgelegd, verschillen van de verklaringen die in beroep en hoger beroep zijn overgelegd. De minister concludeert dan ook dat de verklaringen geen aanleiding geven om aan te nemen dat de percelen (met de nummers 29 tot en met 31) niet reeds op 1 januari 2012 tot de landbouwgrond van het bedrijf behoorden. Omdat monsters en analyses ontbraken, werd niet voldaan aan artikel 27a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Appellant heeft voorts twee percelen ten onrechte samengevoegd voor het nemen van monsters en de bijbehorende analyses. Als er wel tijdige monsters waren genomen, zou deze (enkele) omissie op grond van het handhavingsbeleid tot een gematigde boete van maximaal € 2000,- hebben geleid. Het niet tijdig bemonsteren van de percelen (waarvan volgens de minister dus sprake is) had, op grond van het handhavingsbeleid, in samenhang met het onterecht samenvoegen van percelen, niet tot het een lagere boete geleid.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4517ac42cfbdccf2c0d9f11825ce70048bef565af9b1c7dec4e2f27223dfb56f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4517ac42cfbdccf2c0d9f11825ce70048bef565af9b1c7dec4e2f27223dfb56f, en de alinea staat in dat document op bytes 19690 tot 21846.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4517ac42cfbdccf2c0d9f11825ce70048bef565af9b1c7dec4e2f27223dfb56f | shasum -a 256