Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 11 juni 2019
Onder 12.1 College van Beroep voor het bedrijfsleven 11 juni 2019
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:228.
Appellant stelt, samengevat, dat betrokkenen een ondeugdelijk en onvolledig onderzoek hebben uitgevoerd, waaraan allerlei gebreken kleven. Zoals blijkt uit hetgeen appellant in de grieven 1 tot en met 8 naar voren heeft gebracht, bevat de rapportage van betrokkenen vele feitelijke onjuistheden en er worden onjuiste conclusies getrokken. De classificatie ‘geen gebleken prestatie geleverd’ kan volgens appellant niet in stand blijven, omdat [naam 9] ten onrechte en in strijd met de feiten rapporteert dat deze classificatie is gelegen in het gegeven dat de door appellant gefactureerde werkzaamheden vanuit [naam 8] deel uitmaken van zijn dienstbetrekking zoals opgenomen in de vaststellingsovereenkomst en daarmee de zakelijke grondslag voor facturatie vanuit [naam 8] ontbreekt. Deze passage in het rapport is echter gebaseerd op onvolledig onderzoek naar de feiten en is in strijd met de feiten zoals appellant deze in zijn grieven heeft gesteld en met stukken heeft onderbouwd. Verder blijkt uit de grieven 1 tot en met 8 dat de rapportage niet aan de algemene beginselen van het bewijsrecht voldoet. Appellant is van mening dat [naam 9] bij de uitvoering van het onderzoek onvoldoende oog heeft gehad voor de objectieve waarheidsvinding en selectief te werk is gegaan. Door niet op een adequate wijze rekening te houden met de belangen van appellant als betrokkene heeft [naam 9] de fundamentele beginselen van integriteit en objectiviteit geschonden. Volgens appellant blijkt uit de onderzoeksrapportage dat geen sprake is van een evenwichtige weergave van de feiten en omstandigheden in een juiste context. Hiermee is, aldus appellant, de rechterlijke objectieve waarheidsvinding belemmerd, aangezien dit rapport in de destijds lopende procedure door de gemeente [gemeente] is gebruikt. Daarmee is in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid gehandeld. Appellant stelt dat de door de accountantskamer in overweging 4.67 van de bestreden uitspraak genoemde vrijheid om in een civiele/strafrechtelijke procedure de inhoud van het rapport te betwisten een wassen neus is, aangezien de gemeente [gemeente] de versie van het rapport waarin hij kon constateren wat er met zijn opmerkingen uit het wederhoor was gedaan pas in de procedure heeft ingebracht op een moment dat het procedureel niet meer mogelijk was om tegen de inhoud daarvan te grieven of te concluderen. Naar de mening van appellant ontbeert het rapport een deugdelijke grondslag.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/456bcbaff399dbfe93aeda009586efdd3a06c5b3b8fe3a6573c8703119c6974f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 456bcbaff399dbfe93aeda009586efdd3a06c5b3b8fe3a6573c8703119c6974f, en de alinea staat in dat document op bytes 66191 tot 68689.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/456bcbaff399dbfe93aeda009586efdd3a06c5b3b8fe3a6573c8703119c6974f | shasum -a 256