Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 12 maart 2019
Onder 3.1. College van Beroep voor het bedrijfsleven 12 maart 2019
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 12 maart 2019, ECLI:NL:CBB:2019:99.
Het College volgt appellant, met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:333), niet. Bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom dient aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het bestuursorgaan hoeft bij een besluit omtrent invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en, indien hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsom (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsom zou hebben. Naar het oordeel van het College valt niet in te zien dat de enkele omstandigheid dat sprake is van een duurzaam aangewezen zijn op een uitkering op grond van de Participatiewet, met zich brengt dat de overtreder evident niet in staat zal zijn een verbeurde dwangsom van € 10.000,- (volledig) te betalen. Appellant heeft niets aangevoerd om aannemelijk te (kunnen) maken dat dit in zijn geval anders zou zijn. Daar komt bij dat appellant verweerder kan verzoeken om een betalingsregeling, zodat het bedrag in termijnen kan worden betaald.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f551df7e505856d1c1154b1eb2ff589cb415ee2bf831d9ca47b56303de029477. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f551df7e505856d1c1154b1eb2ff589cb415ee2bf831d9ca47b56303de029477, en de alinea staat in dat document op bytes 8494 tot 10881.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f551df7e505856d1c1154b1eb2ff589cb415ee2bf831d9ca47b56303de029477 | shasum -a 256