Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 april 2020

Onder 4.3.1 College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 april 2020

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:307.

Volgens vaste rechtspraak van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 oktober 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BT6521) moet een belanghebbende in een procedure waarin hij opkomt tegen een opgelegde boete, in staat worden gesteld om alles aan te voeren wat hij in het belang van zijn verdediging noodzakelijk acht. Dat betekent dat wanneer een belanghebbende gemotiveerd uiteenzet dat en waarom hij het van belang acht dat bepaalde stukken die zich onder het bereik van de toezichthouder bevinden, als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb worden aangemerkt en dus, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, moeten worden overgelegd, ook als deze volgens de toezichthouder geen rol hebben gespeeld in het besluitvormingsproces dat aan het opleggen van de boete is vooraf gegaan. Niet uit te sluiten valt immers dat uit die stukken feiten of omstandigheden blijken die in het belang zijn van de verdediging van de belanghebbende. De belanghebbende behoort op dit punt niet afhankelijk te zijn van een selectie die de toezichthouder zelf maakt uit het geheel van de zich onder zijn bereik bevindende stukken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/be5522f8238b91211726c8d2995a2c4ac6533f7bc4fd9a32147709501e12d478. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt be5522f8238b91211726c8d2995a2c4ac6533f7bc4fd9a32147709501e12d478, en de alinea staat in dat document op bytes 32204 tot 33447.