Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 juni 2020

Onder 5.2 College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 juni 2020

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:407.

In verband met het beroep op de knelgevallen dierziekte en ziekte heeft verweerder gesteld dat hij geen vergelijking met de peildatum van 2 juli 2015 kan maken omdat appellante geen alternatieve peildatum heeft gegeven en de beide knelgevallen niet (voldoende) onderbouwd zijn. Ten aanzien van de alternatieve peildatum voor het knelgeval dierziekte (artikel 23, zesde lid van de Msw) geldt dat het niet zonder meer aannemelijk is dat dezelfde alternatieve peildatum zou moeten gelden als voor het knelgeval infrastructuur (artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit). Zeker niet nu appellante zowel in haar toelichting bijzondere omstandigheden als tijdens de hoorzitting en de zitting bij het College heeft aangegeven dat de omstandigheden vooral invloed hebben gehad op de melkproductie en niet op de dieraantallen. Ten aanzien van de onderbouwing van het knelgeval dierziekte geldt het volgende. Door de vervoedering en de antibioticamelk te betrekken, zou appellante 2 excreties omhoog gaan en dat vereist meer bewijs dan dat appellante heeft overgelegd, bijvoorbeeld een medirund-verklaring. De vervoedering alleen kan verweerder wél bij de melkproductie over 2013 optellen omdat die vervoedering is na te gaan door verweerder in I&R, binnen de marges valt en derhalve aannemelijk is. Bij afwezigheid van een alternatieve peildatum voor de bijzondere omstandigheid dierziekte en het ontbreken van een reden om daarvoor 1 december 2013 aan te houden, mede vanwege de gebruikelijke fluctueringen in de veestapel van appellante, alsmede het gebrek aan onderbouwing van de dierziekte, kan verweerder enkel de melkproductie van 2013 inclusief vervoedering in combinatie met de dieraantallen van 2 juli 2015 gebruiken om de 5%-drempel van artikel 23, zesde lid, van de Msw te toetsen. Dat leidt tot een verschil van 2,89%. En zelfs als voorbijgegaan wordt aan het gebrek aan bewijs voor de weggegooide melk in verband met medicijngebruik, komt appellante de 5%-drempel niet over. Dat zou namelijk leiden tot een melkproductie van in totaal 909.830 kg (859.098 kg aan fabriek, 24.566 kg geneesmiddelenmelk en 26.166 kg vervoederde melk). Met een gemiddelde van 116,57 categorie 100 dieren levert dat een melkproductie van 7.805 kg per koe op, met een bijbehorende excretie van 39,8 kg. In totaal komt appellante dan voor de dieraantallen van 2 juli 2015 in combinatie met de melkproductie van 2013 uit op 6.179,9 kg fosfaatrechten. In de bestreden beschikking heeft appellante 5.925,8 kg toegekend gekregen, een verschil van 4,29%. In dit verband merkt verweerder ook nog op dat de gestelde productiedaling vanwege mastitis (niet geproduceerde melk) niet meegenomen kan worden. Dat is immers fictieve melkproductie dan wel niet gerealiseerde groei.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa6c0cfaf723df3b6e5b59ea8135f371a7b710e30a72ba3afdc31a35e4403130. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa6c0cfaf723df3b6e5b59ea8135f371a7b710e30a72ba3afdc31a35e4403130, en de alinea staat in dat document op bytes 15369 tot 18130.