Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 juni 2020

Onder 6.3 College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 juni 2020

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:407.

Uit de melding bijzondere omstandigheden van 29 maart 2018 en de mailwisseling van 2 juli 2018 tussen appellante en verweerder kan, naar het oordeel van het College, worden afgeleid dat appellante heeft beoogd de alternatieve peildatum 1 december 2013 voor alle gemelde bijzondere omstandigheden te laten gelden. Over de aard van de ziekte heeft appellante wisselende verklaringen afgelegd. Het College gaat ervan uit dat appellante beoogd heeft een beroep te doen op artikel 23, zesde lid, van de Msw vanwege de dierziekten die zijn opgenomen in de door de dierenarts overgelegde verklaring over het jaar 2013. Aldus is aan de orde de vraag of het fosfaatrecht per 2 juli 2015 minimaal 5% lager is vastgesteld dan zonder de dierziekte het geval zou zijn geweest. Naar het oordeel van het College is dat niet het geval. Daargelaten of de eis die verweerder bij verweerschrift heeft gesteld aan het bewijs van de dierziekte al dan niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel moet worden geacht, nu de stellingname van appellante op dit punt niet eenduidig was, kan, zoals verweerder stelt, niet geproduceerde melk (oftewel, productiedaling als gevolg van dierziekte) niet worden betrokken in de vaststelling van de omvang van de melkproductie 2013. Er dient een vergelijking tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum plaats te vinden. Voor het betrekken van niet gerealiseerde melkproductie (ten gevolge van ziekte), is, evenals voor het betrekken van niet gerealiseerde uitbreiding, geen plaats (zie de uitspraak van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4 (http://pi.rechtspraak.minjus.nl/), en van 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232). Appellante heeft dan in 2013 in totaal 909.830 kg geproduceerd (859.098 kg geleverde melk, 24.566 kg vernietigde melk en 26.166 kg vervoederde melk). Met een gemiddelde van 116,6 melk- en kalfkoeien in 2013 levert dat een melkproductie van 7.803 kg per koe op, met een bijbehorende excretie van 39,8 kg. Uitgaande van de dieraantallen op 2 juli 2015, ontstaat een verschil van 4,12% met het vastgestelde fosfaatrecht per 2 juli 2015. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, voldoet appellante niet aan de 5%-drempel van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa6c0cfaf723df3b6e5b59ea8135f371a7b710e30a72ba3afdc31a35e4403130. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa6c0cfaf723df3b6e5b59ea8135f371a7b710e30a72ba3afdc31a35e4403130, en de alinea staat in dat document op bytes 20935 tot 23261.