Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 juni 2020

Onder 4.2 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 juni 2020

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:419.

Appellanten handhaven hun standpunt dat AFM zich niet tot appellante kan wenden met betrekking tot de overtredingen die zij ziet in de activiteiten ten aanzien van het [naam 5] die feitelijk door [naam 3] zijn verricht, maar AFM [naam 3] en de beleidsbepalers van [naam 3] daarop dient aan te spreken. Appellanten verwijzen daarbij naar de inhoud van de FSO van 19 oktober 2012, waarin is bepaald dat appellante zich bij de uitvoering van haar diensten moet houden aan de richtlijnen en instructies van [naam 3] , op het feit dat alle medewerkers die werkzaam waren op het adres van [naam 6] in dienst waren van de [naam 4] en op de omstandigheid dat AFM zich op het standpunt stelt dat feitelijk [naam 3] en niet appellante is aan te merken als beheerder van het [naam 5] . Dat appellante kan worden aangerekend dat zij [naam 3] feitelijk de werkzaamheden ten aanzien van het [naam 5] heeft laten verrichten, sluit uit dat appellante kan worden aangesproken op bij die feitelijke werkzaamheden beweerdelijk gemaakte fouten. Die fouten, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de bij advisering na te komen verplichtingen, zijn naar hun aard begaan door [naam 3] . Appellanten menen dat de wegens overtreding van artikel 4:11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wft en artikel 115q, eerste lid, aanhef en onder b, van het BGfo (waarvan appellante wel de normadressaat is) opgelegde boetes niet in stand kunnen blijven, omdat AFM die (in overwegende mate) heeft gestut op de diverse onderliggende overtredingen, die volgens appellanten niet door appellante zijn begaan, maar door [naam 3] . De conclusie dat de bedrijfsvoering van appellante niet zodanig was ingericht dat een beheerste en integere bedrijfsvoering was gewaarborgd en dat er geen adequaat beleid was dat een integere uitoefening van het bedrijf waarborgt, gelet op het feitelijk beheer door [naam 3] , is onterecht. De rechtbank heeft miskend dat de inschrijving van het [naam 5] in het AFM-register tijdelijk was bedoeld en dat destijds (voorafgaand aan de AIFMD) in de markt algemeen bekend was dat deze structuur mogelijk was. Appellanten stellen dat meerdere partijen (gerenommeerde advocatenkantoren, de bewaarder, de administrator) voorafgaand aan het aangaan van de FSO zijn bevraagd en dat advies is ingewonnen. Appellanten herhalen dat AFM sinds het verzoek tot inschrijving van het [naam 5] onder de vergunning van appellante bekend was met de achterliggende entiteit [naam 3] en de rolverdeling tussen appellante en [naam 3] met betrekking tot het [naam 5] . Appellanten stellen dat het bestuur achteraf bezien een inschattingsfout heeft gemaakt met het verzoek tot inschrijving en de samenwerking met [naam 3] . Zij betogen dat het bestuur zijn verantwoordelijkheid heeft genomen voor de daardoor ontstane situatie door op zoek te gaan naar oplossingen voor de beëindiging van de samenwerking met [naam 3] en zich maximaal in te spannen om het beheer van het [naam 5] elders onder te brengen en tegelijkertijd een aantal aanpassingen door te voeren in het contact met [naam 6] . Appellanten menen dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat de bedrijfsvoering van appellante niet zodanig was ingericht dat een beheerste en integere bedrijfsuitoefening niet was gewaarborgd en dat er geen adequaat beleid was dat een integere uitoefening van het bedrijf waarborgde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/25ab77eb0adeb21cdae6ed3772ffb7b6f6be780f624ef54badcb3bbba821ce35. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 25ab77eb0adeb21cdae6ed3772ffb7b6f6be780f624ef54badcb3bbba821ce35, en de alinea staat in dat document op bytes 32132 tot 35499.