Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 juni 2020

Onder 5.4.1 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 juni 2020

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:419.

Volgens vaste jurisprudentie (het College wijst bijvoorbeeld op het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733 en de uitspraak van het College van 12 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:327) kan van feitelijk leidinggeven aan verboden gedragingen onder omstandigheden sprake zijn indien de betreffende functionaris – hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden – maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen In dit verband is niet vereist dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet gericht op de wederrechtelijkheid van de gedragingen. Met andere woorden: niet van belang is of appellant wist dat de gedragingen een overtreding zouden opleveren (zie de uitspraak van het College van 11 september 2018, ECLI:NL:CBB:2018:465). Zoals het College reeds eerder (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 7 maart 2016, ECLI:NL:CBB:2016:54) heeft overwogen is voor het aannemen van feitelijk leidinggeven aan de verboden gedraging op zichzelf niet voldoende dat iemand bestuurder is van een rechtspersoon die een overtreding heeft begaan. Als echter (een van) de feitelijke hoofdactiviteit(en) van de rechtspersoon bestaat uit de verboden gedraging en een bestuurder alleen of zelfstandig bevoegd is om besluiten te nemen, dan is in beginsel wel voldaan aan het hiervoor geformuleerde criterium. Een bestuurder wordt immers geacht op de hoogte te zijn van de hoofdactiviteiten van de door hem bestuurde rechtspersoon en is redelijkerwijs gehouden maatregelen te nemen om te voorkomen dat die hoofdactiviteiten in strijd zijn met de wet. Doet hij dit niet dan aanvaardt hij dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen. Deze situatie doet zich naar het oordeel van het College hier voor. Hoofdactiviteit van appellante is het als vergunninghouder beheren van het onder haar vergunning geregistreerde [naam 5] . Dit betekent dat appellante zich als vergunninghouder dient te houden aan de bij of krachtens de Wft geldende normen inzake de beheerste en integere bedrijfsvoering uit deel 4 van de Wft. Zoals hiervoor in 4.3.2.3 reeds is overwogen, heeft appellante door het sluiten van de FSO haar vergunning voor het beheer van het [naam 5] uit handen gegeven aan [naam 3] . Appellant was ten tijde van het sluiten van de FSO enig bestuurder en dagelijks beleidsbepaler van appellant. In die hoedanigheid is appellant de FSO aangegaan en heeft hij de FSO namens appellante ondertekend. Dit betekent dat appellant er niet alleen van op de hoogte was dat vorengenoemd beheer van het [naam 5] en daarmee haar hoofdactiviteit uit handen is gegeven aan [naam 3] , maar ook dat appellante uit de aard der zaak geen beleid heeft gevoerd dat een integere en beheerste uitoefening van haar bedrijf waarborgde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/25ab77eb0adeb21cdae6ed3772ffb7b6f6be780f624ef54badcb3bbba821ce35. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 25ab77eb0adeb21cdae6ed3772ffb7b6f6be780f624ef54badcb3bbba821ce35, en de alinea staat in dat document op bytes 51443 tot 54292.