Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 juni 2020
Onder 7.2. College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 juni 2020
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:429.
Zoals het College eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:421), is een op grond van de Regeling opgelegde heffing pas verschuldigd vanaf het moment dat de heffing in een besluit is opgelegd. Vóór de primaire besluiten was appellante dus geen heffing verschuldigd. Daarna wel. Verder is de inningstermijn in de Regeling niet dwingend, maar regelend van aard. Uit de toelichting bij de Regeling blijkt dat voor de inningstermijn aansluiting is gezocht bij de uitvoering in de praktijk. Daaruit blijkt niet dat bedoeld is dat de verplichting om te betalen zou vervallen als de heffing pas op een later tijdstip wordt opgelegd. Verweerder was derhalve bevoegd om de heffingen op te leggen, ook nadat de tweede maand volgend op de desbetreffende periode al was verstreken. Appellante wordt ook niet gevolgd in haar stelling dat zij werd overvallen door de heffingen. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt dat verweerder voor de periodes 1, 2 en 3 al eerder dan in december 2017 heffingen had opgelegd, maar die besluiten heeft ingetrokken – en voor de volgende periodes geen heffingen heeft opgelegd – omdat de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bij vonnissen van 4 mei 2017 had geoordeeld dat de Regeling voor bepaalde bedrijven buiten toepassing moest blijven. Bij dat intrekkingsbesluit heeft verweerder er nadrukkelijk op gewezen dat de Staat hoger beroep heeft ingesteld tegen de vonnissen van de voorzieningenrechter en dat hij de Regeling voor alle periodes alsnog volledig zal toepassen, als de Staat in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld. Bij arrest van 31 oktober 2017 heeft het Gerechtshof Den Haag de vonnissen van de rechtbank inderdaad vernietigd. Bij brief van 24 november 2017 heeft verweerder appellante daarop medegedeeld dat de Regeling met terugwerkende kracht toch van toepassing is op appellante en dat alsnog heffingen zullen worden opgelegd. Gelet op deze gang van zaken had appellante in haar bedrijfsvoering rekening kunnen houden met de mogelijkheid dat alsnog heffingen zouden worden opgelegd en bestaat geen grond voor het oordeel dat zij onevenredig in haar belangen wordt getroffen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verweerder een algemene betalingsregeling heeft getroffen voor melkveehouders die de in december 2017 opgelegde heffingen niet ineens konden voldoen. Het betoog faalt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3bd2fa3c58097c3614f6d34c213375c09f08c909dacb534f846d686e2936a7a6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3bd2fa3c58097c3614f6d34c213375c09f08c909dacb534f846d686e2936a7a6, en de alinea staat in dat document op bytes 12748 tot 15205.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3bd2fa3c58097c3614f6d34c213375c09f08c909dacb534f846d686e2936a7a6 | shasum -a 256