Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 februari 2020
Onder 6.1. College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 februari 2020
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:60.
Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, met juistheid geoordeeld dat de minister bevoegd was om aan appellanten bestuurlijke boetes op te leggen voor de in het jaar 2013 door appellante begane overtredingen en het daaraan feitelijk leidinggeven door appellant. Voor dat oordeel is het in de bestreden besluiten opgenomen overzicht van VDM-nummers bij de overtreden feitcodes van belang. Uit dit overzicht blijkt dat de minister ten aanzien van verschillende VDM-nummers de overtreding van meerdere feitcodes heeft vastgesteld. In hoger beroep dient echter, zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 5. is weergegeven, te worden uitgegaan van – per VDM – maximaal één boete voor de overtreding van één feitcode. Ter zitting van het College zijn de verschillende VDM’s waarbij overtredingen zijn geconstateerd met partijen besproken. Daarbij hebben appellanten ten aanzien van een aantal VDM’s bepleit dat de overtreding van een bepaalde feitcode niet kan worden gehandhaafd, omdat uit het desbetreffende VDM onmiskenbaar blijkt dat die feitcode niet is overtreden. Het College is met appellanten van oordeel dat de minister er voor een aantal VDM’s niet in is geslaagd om aan te tonen dat alle in het overzicht genoemde feitcodes zijn overtreden. Desalniettemin heeft de minister ter zitting van het College voor ieder VDM waarvoor een boete is opgelegd steeds de overtreding van één van de genoemde feitcodes kunnen aanwijzen. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet voor iedere in aanmerking genomen VDM een boete mocht opleggen. Naar het oordeel van het College hebben appellanten ook anderszins niet aangetoond dat de minister niet tot boeteoplegging mocht overgaan. Appellanten hebben in hoger beroep per VDM gemotiveerd aangevoerd waarom volgens hen geen sprake is geweest van een overtreding van het Besluit. In dat verband hebben zij gesteld dat de VDM’s steeds volledig zijn opgemaakt (feitcode M302) en dat is geladen en gelost op de door de opdrachtgever opgegeven laad- en loslocaties. Daar staat echter tegenover dat de minister aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens heeft aangetoond dat de desbetreffende VDM’s niet volledig zijn ingevuld, omdat de postcode van de laad- of losplaats of een opmerkingscode niet of niet op de juiste plaats is ingevuld. Met betrekking tot het niet naar waarheid opmaken van de VDM’s (feitcode M303) en het niet of onjuist ondertekenen van de VDM’s (feitcode M304) hebben appellanten kort samengevat aangevoerd dat de transporten zijn gelost bij relaties van de op de VDM’s genoemde afnemers en/of bij de op de VDM’s genoemde afnemers en door die afnemers zijn ondertekend. Volgens appellanten zijn de VDM’s daarom naar waarheid opgemaakt en correct ondertekend. Daar staat echter tegenover dat de minister ook ten aanzien van deze VDM’s aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens heeft aangetoond dat de desbetreffende percelen waarop is gelost in gebruik waren bij andere personen dan de op de VDM’s ingevulde personen. Deze VDM’s zijn dus niet naar waarheid opgemaakt en/of niet door de juiste afnemer ondertekend. De minister heeft met betrekking tot VDM-nummer [… 2] twee overtredingen, met feitcodes M303 en M304, vastgesteld. De minister heeft daarbij verwezen naar blad 56 van het rapport en bijlage 88 bij dat rapport. Hieruit leidt het College af, zoals ook is besproken ter zitting, dat het feitelijk om een VDM met een ander nummer ( [… 3] ) gaat, waarop als afnemer “ [naam 5] ” staat vermeld en dat dit laatstgenoemde VDM ten grondslag ligt aan de geconstateerde overtredingen. Op dit VDM staat een (volledig) verkeerd registratienummer van de vervoerder vermeld. Daarmee staat vast dat het VDM niet naar waarheid is opgemaakt, zodat er voor dit VDM een toereikende grondslag bestaat voor het opleggen van een boete van € 300,- op grond van de feitcode M303. Appellanten hebben tot slot ten aanzien van het wijzigen of onleesbaar maken van vier VDM’s (feitcode M305) aangevoerd dat tijdens het uitvoeren van de vrachten nadere informatie aan appellante werd verstrekt. Om te voldoen aan de voorwaarde dat de VDM’s naar waarheid moeten worden opgemaakt, heeft appellante de informatie op de reeds ingevulde VDM’s daarom (digitaal) aangepast. Dit betoog van appellanten kan evenmin leiden tot het oordeel dat de minister niet bevoegd was om aan appellanten boetes op te leggen, alleen al omdat het op grond van artikel 53, vierde lid, van het Besluit expliciet niet is toegestaan om de gegevens op het ingevulde VDM te wijzigen of onleesbaar te maken. Het College concludeert op basis van het voorgaande dat in geen van de zeventien gevallen waarin een boete van € 300,- is vastgesteld, er een aanleiding is om deze boete te verlagen tot € 200,-.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4604df24169427e13ac9774eb252b8d2498ea8217178cd9258b6d64fe1c48662. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4604df24169427e13ac9774eb252b8d2498ea8217178cd9258b6d64fe1c48662, en de alinea staat in dat document op bytes 24045 tot 28924.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4604df24169427e13ac9774eb252b8d2498ea8217178cd9258b6d64fe1c48662 | shasum -a 256