Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 27 februari 2024
Onder 5.4.1 College van Beroep voor het bedrijfsleven 27 februari 2024
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 27 februari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:129.
24 mei 2016, op de hoogte was van de inhoud van die mededeling (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 21 januari 2016, zaak C-74/14, Eturas, ECLI:EU:C:2016:42, punt 40). De ontvanger van de e-mail, [naam 5] , heeft weliswaar verklaard zich niets te herinneren over de aanbesteding van [naam 8] , maar dat wil niet zeggen dat [naam 4] de e-mail niet heeft ontvangen en dat [naam 4] niet op de hoogte was van de inhoud daarvan. Met de e-mail verzoekt [naam 7] aan [naam 4] om, niet vandaag maar morgen, een offerte soortgelijk aan die van haar, overeenkomstig de werkomschrijving van [naam 14] en met een bepaalde inschrijfprijs toe te sturen aan [naam 8] (de afstemming). Op 31 mei 2016, enkele dagen na de ontvangst van de e-mail, heeft [naam 4] een offerte aan [naam 8] toegestuurd die overeenkomt met de werkomschrijving van [naam 14] en met een inschrijfprijs die nagenoeg gelijk is aan het bedrag vermeld in de e-mail. Anders dan [naam 4] stelt, is niet gebleken dat de offertes van [naam 7] en [naam 4] in grote mate van elkaar verschillen. Uit de offertevergelijking van [naam 14] volgt namelijk dat beide offertes overeenstemmen met de werkomschrijving, hoewel het was toegestaan ervan af te wijken, indien goed onderbouwd, en dat zij zich (slechts) van elkaar onderscheiden in inschrijfprijs. [naam 14] spreekt ook niet van kwalitatieve verschillen in de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Met het toesturen van de offerte aan [naam 8] is [naam 4] dus actief gebleven op de markt (deelname aan de afstemming). Anders dan [naam 4] stelt, is wilsovereenstemming niet een noodzakelijke voorwaarde voor het vaststellen van een onderling afgestemde feitelijke gedraging. De ACM heeft dus op basis van deze gegevens terecht vastgesteld dat sprake is van een afstemming en deelname daaraan. De combinatie van enerzijds de e-mail van [naam 7] met het verzoek aan [naam 4] op een bepaalde tijd, manier en voor een bepaalde prijs in te schrijven en anderzijds de offerte van [naam 4] die met dat verzoek (nagenoeg) overeenkomt, leidt tot het vermoeden van causaal verband daartussen. Dat vermoeden houdt in dat, behoudens tegenbewijs, ervan wordt uitgegaan dat [naam 4] rekening heeft gehouden met het verzoek van [naam 7] om haar gedrag bij de aanbesteding van [naam 8] te bepalen (bewijsvermoeden van causaal verband) (zie het arrest van het Hof van Justitie van 21 januari 2016, zaak C-74/14, Eturas, ECLI:EU:C:2016:42, punt 33).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/38d09205812706b1d9eecb8eaf6065b7e912ba038cbae773f8351d2d1de697a1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 38d09205812706b1d9eecb8eaf6065b7e912ba038cbae773f8351d2d1de697a1, en de alinea staat in dat document op bytes 56084 tot 58548.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/38d09205812706b1d9eecb8eaf6065b7e912ba038cbae773f8351d2d1de697a1 | shasum -a 256