Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 juli 2025

Onder 11.4 College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 juli 2025

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 juli 2025, ECLI:NL:CBB:2025:385.

Het College kan de fabrikanten ook niet volgen in hun betoog dat gelet op de Engelse hub-and-spoke zaken had moeten worden aangetoond dat zij een state of mind of mentale consensus hadden om de onderlinge concurrentie te vervangen door een feitelijke samenwerking. Zoals hiervoor is vermeld, gaat het bij onderling afgestemde feitelijke gedragingen om een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die de risico's van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt niet dat moet worden aangetoond dat een onderneming de subjectieve intentie had om de mededinging te beperken. De rechtbank heeft op basis van het arrest van 21 januari 2016, Eturas, (ECLI:EU:C:2016:42), punt 29 en verder, terecht geconcludeerd dat voor het aannemen van een onderling afgestemde feitelijke gedraging volstaat dat wordt aangetoond dat er een welbewuste samenwerking was. Daarvoor is vereist dat de onderneming op de hoogte is van het mededingingsverstorend gedrag en zich hiertegen niet heeft verzet. Het begrip welbewust heeft zodoende betrekking op de feitelijke samenwerking, en bestaat er in dit geval uit dat de fabrikanten ervan op de hoogte waren dat hun prijzen werden gedeeld met concurrenten, dat de prijsinformatie van de andere fabrikanten ook werden gedeeld met concurrenten en dat dezen die informatie ook gebruikten. De fabrikanten hebben met deze praktijk ingestemd en de risico’s hiervan aanvaard. Er bestaat naar het oordeel van het College geen twijfel over dat dit voldoende is voor de conclusie dat sprake is van onderling afgestemde feitelijke gedragingen. Dat volgens de fabrikanten in de zaak Eturas, anders dan in hun geval, sprake was van een evident mededingingsbeperkend initiatief, maakt niet dat het beoordelingskader uit die zaak hier niet zou gelden. Een praktijk van gedragingen kan immers evengoed mededingingsverstorend gedrag opleveren als direct contact tussen de concurrenten daarbij ontbreekt. De fabrikanten hebben in dit verband gewezen op het arrest Houtslijp II, omdat hieruit zou volgen dat een concurrent niet zonder meer kan worden geacht deel te hebben genomen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen als er een andere coherente verklaring is voor de informatie-uitwisseling. Volgens de fabrikanten bestaat die andere coherente verklaring uit het legitieme karakter van de uitwisseling. Zoals hiervoor onder 11.2 al is geoordeeld, volgt het College het betoog dat sprake was van een legitieme informatie-uitwisseling niet. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de fabrikanten welbewust hebben samengewerkt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cedbf2b30d83f2f7d1d3f942668913f6135416a71495c61ec2ac7f2d9c20d334. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cedbf2b30d83f2f7d1d3f942668913f6135416a71495c61ec2ac7f2d9c20d334, en de alinea staat in dat document op bytes 50171 tot 52827.