Citaat | Centrale Raad van Beroep 14 februari 2001

Alinea 31 Centrale Raad van Beroep 14 februari 2001

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 14 februari 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB0469.

Er bestaat naar het oordeel van de Raad geen aanleiding om te veronderstellen dat een beperkt onderdeel van de artikelen 14 en 15 van het IVBPR, te weten het hier van belang zijnde artikel 15, eerste lid, derde volzin, buiten toepassing dient te blijven. Zo heeft de Hoge Raad in het arrest 8 februari 1995, BNB 1995/245 inzake een fiscale boete het beroep op deze bepaling verworpen met de motivering dat die bepaling niet was geschonden, en niet omdat die bepaling niet van toepassing is. Ten slotte wijst de Raad op artikel 5.4.1.7, vierde lid, van het Voorontwerp Algemene wet bestuursrecht Vierde Tranche van de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht en de toelichting op die bepaling alsmede op artikel 5 van het Besluit van 14 oktober 2000, Stb. 2000, 462, het Boetebesluit socialezekerheidswetten, en de toelichting daarop.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bcc5693cc3e988bdf358f854893f0d797e7e31b2b97728c4327c6623c7c6fc2d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bcc5693cc3e988bdf358f854893f0d797e7e31b2b97728c4327c6623c7c6fc2d, en de alinea staat in dat document op bytes 16760 tot 17619.