Citaat | Centrale Raad van Beroep 29 januari 2002

Alinea 19 Centrale Raad van Beroep 29 januari 2002

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 29 januari 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AD9473.

Appellant heeft gesteld dat hij bij de start van de shoarmazaak schulden heeft moeten maken bij familie en vrienden en deze schulden nog moest aflossen van de door hem ontvangen verzekeringsgelden. Naar het oordeel van de Raad is appellant er echter niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij destijds daadwerkelijk geld heeft geleend, zodat het feitelijk bestaan van de gestelde schulden niet is aangetoond. De Raad kan voorts aan de verklaringen van derden over de door appellant gestelde schulden en de door appellant overgelegde schuldbekentenissen en kwitanties niet die betekenis toekennen welke appellant daaraan toegekend wenst te zien.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/be2d874774f198eacffdd493950553ab38e018361a7b25efb671b5db80cb845e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt be2d874774f198eacffdd493950553ab38e018361a7b25efb671b5db80cb845e, en de alinea staat in dat document op bytes 9894 tot 10558.