Citaat | Centrale Raad van Beroep 29 januari 2002

Alinea 27 Centrale Raad van Beroep 29 januari 2002

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 29 januari 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE0165.

De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan het volgende. Het EVRM verbiedt in beginsel geen feitelijke of wettelijke rechtsvermoedens. Verdragstaten moeten daarbij wel redelijke grenzen in acht nemen, zodat met de betrokken belangen rekening wordt gehouden en de rechten van de verdediging in stand blijven. In de onderhavige zaak betreft het niet een vervolging wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, doch het vaststellen van de burgerlijke rechten en verplichtingen van eiser in het kader van het geldend maken van een aanspraak op een uitkering ingevolge de Abw, zodat in casu artikel 6, eerste lid, van het EVRM van toepassing is. Uit artikel 3, vierde lid, van de Abw volgt slechts dat er sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden in het geval voldaan wordt aan een van de onder a tot en met d genoemde situaties en de belanghebbenden tevens hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Het vermoeden moet derhalve gedragen worden door 2 objectief vast te stellen feiten. Om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat met het hanteren van een dergelijk rechtsvermoeden de grenzen van het redelijke worden overschreden, noch dat anderszins sprake is van strijdigheid met het EVRM.".

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e5b7258c6d1bfb1f302205507b80b995873ba2c1b36fd8a883b5b37c98cfac67. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e5b7258c6d1bfb1f302205507b80b995873ba2c1b36fd8a883b5b37c98cfac67, en de alinea staat in dat document op bytes 11942 tot 13215.