Citaat | Centrale Raad van Beroep 4 juli 2003
Alinea 33 Centrale Raad van Beroep 4 juli 2003
Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 4 juli 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AI0140.
Mede in het licht van de ontwikkeling van de betekenis die aan artikel 13 van het EVRM in de jurisprudentie van het EHRM toekomt (zie onder meer EHRM 26 oktober 2000, Kudla v. Polen, gepubliceerd in USZ 2001/37), is de Raad thans in afwijking van zijn hierboven vermelde rechtspraak van oordeel dat de bestuursrechter dient vast te stellen of sprake is van een schending van artikel 6 van het EVRM ter zake van een gestelde overschrijding van een redelijke termijn van rechterlijke behandeling van een zaak. De Raad houdt in zoverre vast aan zijn gevormde rechtspraak dat voor de vaststelling van de gevolgen die moeten worden verbonden aan een dergelijke schending, een belanghebbende zich tot de burgerlijke rechter dient te wenden. Op deze wijze wordt buiten twijfel gesteld dat in het Nederlandse bestuursrecht een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het EVRM voorhanden is om vast te stellen of een redelijke behandelingstermijn door de bestuursrechter is overschreden. Bij gebreke aan een wettelijke voorziening ter zake komt echter in het Nederlandse rechtssysteem het oordeel over de beweerdelijk geleden -en door de Staat te vergoeden- schade toe aan de burgerlijke rechter.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/18c2712e84f5e6d2d0b32d94cc5a5f4eda13340b9de5b093d515f294b20d4301. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 18c2712e84f5e6d2d0b32d94cc5a5f4eda13340b9de5b093d515f294b20d4301, en de alinea staat in dat document op bytes 17152 tot 18366.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/18c2712e84f5e6d2d0b32d94cc5a5f4eda13340b9de5b093d515f294b20d4301 | shasum -a 256