Citaat | Centrale Raad van Beroep 18 juni 2004

Alinea 130 Centrale Raad van Beroep 18 juni 2004

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 18 juni 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP4680.

Betrokkene 3 heeft doen aanvoeren dat hij zich ten tijde in geding ten onrechte in voorlopige hechtenis bevond nu hij door de rechtbank Rotterdam van het hem ten laste gelegde strafbare feit is vrijgesproken. Nu zijn partner nog geen vergunning tot verblijf had kon zij op grond van de Koppelingswet geen aanspraak maken op een bijstandsuitkering. Betrokkene 3 meent dat er in deze situatie sprake is van een onbedoeld gevolg van de Wsg en dat moet worden afgezien van strikte toepassing van de wettelijke bepalingen. De Raad verwerpt deze stelling, reeds omdat, naar eerst ter zitting op een uitdrukkelijke vraagstelling van de Raad is gebleken, betrokkene 3 in hoger beroep alsnog is veroordeeld, zodat van een onterechte voorlopige hechtenis geen sprake is geweest. Doch ook als wel van een in vrijspraak eindigende voorlopige hechtenis sprake zou zijn geweest zou dit niet leiden tot de conclusie dat de Wsg achteraf beschouwd niet mag worden toegepast. Ook in die situatie rechtvaardigen de twee hoofddoelstellingen van de wetgever bij invoering van de Wsg, te weten het voorkomen van dubbele betaling en het bewerkstelligen van gelijke behandeling met een werkende die in detentie geraakt, toepassing van de Wsg. Het feit dat de partner van betrokkene 3 geen aanspraak kon maken op bijstand leidt niet tot een ander oordeel nu de partner zonder verblijfstitel van een werkende die in detentie geraakt met gelijke problemen wordt geconfronteerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ccdbb335f8c9a9036c6b2b67a063a5822bc20ef17a508a73bd58fdd32ac0f026. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ccdbb335f8c9a9036c6b2b67a063a5822bc20ef17a508a73bd58fdd32ac0f026, en de alinea staat in dat document op bytes 62488 tot 63951.