Citaat | Centrale Raad van Beroep 24 juni 2004

Alinea 40 Centrale Raad van Beroep 24 juni 2004

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 24 juni 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP5260.

De Raad merkt hierbij nog op dat hij geen grond ziet voor het oordeel dat de omstandigheden die tot het ontslag van appellant hebben geleid in overwegende mate aan gedaagde zijn toe te rekenen. Hoewel gedaagde in de kwestie rond mevrouw De G. niet altijd even voortvarend is opgetreden, moet worden vastgesteld dat appellant zich in augustus 1998, toen het incident als gesloten kon worden beschouwd, ook van zijn kant onverzoenlijk is gaan opstellen. De problemen die vervolgens in het kader van de reïntegratie van appellant zijn ontstaan omtrent de inroostering kunnen, gelet op hetgeen onder 3.3. is overwogen, evenmin leiden tot toekenning van een hogere uitkering. Met een gebruikelijke ontslaguitkering kan te dezen dan ook worden volstaan. Dit zo zijnde, zal de Raad, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb aan het ontslag alsnog een garantie op een ontslaguitkering verbinden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0dc3192eef6633a51d5bc040c6eeb18ff1e7c2a75a4560ac7389e8fe18cf5bba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0dc3192eef6633a51d5bc040c6eeb18ff1e7c2a75a4560ac7389e8fe18cf5bba, en de alinea staat in dat document op bytes 18737 tot 19702.