Citaat | Centrale Raad van Beroep 30 juni 2004

Alinea 31 Centrale Raad van Beroep 30 juni 2004

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 30 juni 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP6288.

Terecht heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat, indien wegens schending van de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op een belanghebbende rustende inlichtingenverplichting een boete als bedoeld in artikel 14a van de Abw wordt opgelegd, sprake is van een criminal charge waarbij de waarborgen van artikel 6 van het EVRM, waaronder het recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, in acht moeten worden genomen. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de redelijke termijn in dit geval niet is aangevangen op het tijdstip van verzending van het primaire besluit maar op 27 oktober 1998, het tijdstip van verzending van de brief waarin het voornemen tot het opleggen van de boete aan appellant kenbaar is gemaakt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b21798cae5d8475db496a0da041c950c0c0da584202d759e35c82afa90d69a59. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b21798cae5d8475db496a0da041c950c0c0da584202d759e35c82afa90d69a59, en de alinea staat in dat document op bytes 14957 tot 15726.