Citaat | Centrale Raad van Beroep 2 november 2010

Alinea 33 Centrale Raad van Beroep 2 november 2010

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2987.

4.3. Wat betreft het beroep op het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) wijst de Raad erop dat hier gezinsbijstand is aangevraagd. Voor het overige verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 24 januari 2006 (LJN AV0197) waarin de Raad met het oog op de aanvaardbaarheid van toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB op kinderen een onderscheid heeft gemaakt tussen gevallen waarin de kinderen (en hun ouders) rechtmatig in Nederland verblijven doch niet tot Nederland zijn toegelaten, en gevallen waarin de kinderen (en hun ouders) niet rechtmatig in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 hier te lande verblijven. De Raad heeft de toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB op deze laatste categorie van kinderen ook tegen de achtergrond van het IVRK in beginsel een evenredig middel geacht ter verwezenlijking van de doelstelling van de koppelingswetgeving. Ter zitting van de Raad kon de gemachtigde van appellanten geen uitsluitsel geven over de vraag of aan de minderjarige kinderen ten tijde in geding een financiële toelage is verleend op basis van de door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) uitgevoerde Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb). In dit verband heeft de gemachtigde gesteld dat er perioden zijn dat appellanten rechtmatig en perioden waarin zij onrechtmatig in Nederland verbleven. Voor zover zij rechtmatig in Nederland verbleven hadden de kinderen in beginsel aanspraak kunnen maken op een uitkering ingevolge de Rvb. De Raad verwijst daarbij naar zijn uitspraak van 20 juli 2010 (LJN BN3318) waarin hij oordeelt dat deze Rvb een passende en toereikende voorziening vormt in de zin van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB en dat de Rvb in beginsel aan (gedeeltelijke) bijstandsverlening aan de kinderen van appellanten in de weg staat. Voorts heeft de Raad in die uitspraak geoordeeld dat de verplichting van de Staat om in de omstandigheden van appellant recht te doen aan de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK op het bestuursorgaan rust dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB. Dat betekent dat het COA dient te beoordelen of een eventuele aan de kinderen van appellanten op grond van de Rvb verleende financiële toelage, bezien in het licht van de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK, toereikend is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8952e5ccde281ed44f8c0f66ccdb941e97ab74786eb11278fb67368fb9bdfd70. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8952e5ccde281ed44f8c0f66ccdb941e97ab74786eb11278fb67368fb9bdfd70, en de alinea staat in dat document op bytes 10222 tot 12737.