Citaat | Centrale Raad van Beroep 15 april 2014

Onder 4.7. Centrale Raad van Beroep 15 april 2014

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 15 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1256.

Appellant is niet verschenen op het gesprek van 6 februari 2012. Gezien de onder 4.2 weergegeven bewijslastverdeling was het aan hem om aannemelijk te maken dat hij in de te beoordelen periode woonde op het opgegeven adres. Hij had dit kunnen onderbouwen met bijvoorbeeld verklaringen van buren en gegevens van pintransacties. Dit heeft hij ook in bezwaar nagelaten. Uit een gespreksverslag van 10 april 2012, in het kader van een volgende aanvraag om bijstand van appellant, blijkt dat hij toen niet kon zeggen op welke dagen hij in de woning is geweest, dat hij heeft verklaard dat hij bij zijn ouders verbleef en bij vrienden en dat hij niet in zijn eigen huis kookte. Hij heeft voorts verklaard dat hij geen keukeninrichting had en dat ook andere spullen in de woning ontbraken. Er was alleen een matras. Dit bevestigt de serieuze twijfels van het college bij de woonsituatie van appellant in de hier ter beoordeling staande periode. Dit betekent dat door niet te verschijnen op 6 februari 2012 appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het college het recht op bijstand niet heeft kunnen vaststellen. Dat later wel bijstand is toegekend, doet hier niet aan af.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ab0ae1afbac870bc41cfe892d9fb9fba62dbdf8a020464a1c2588c1b5e1591b1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ab0ae1afbac870bc41cfe892d9fb9fba62dbdf8a020464a1c2588c1b5e1591b1, en de alinea staat in dat document op bytes 14657 tot 15890.