Citaat | Centrale Raad van Beroep 23 juni 2015
Onder 5.7. Centrale Raad van Beroep 23 juni 2015
Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1801.
Deze beroepsgrond slaagt niet. [naam] heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat hij ten tijde hier van belang ‘intaker’ was op de beursvloer van [werkplein]. Hij kon zich appellanten noch hun namen herinneren. Ook bij confrontatie met appellanten herkende [naam] appellanten niet en hij kon zich niet herinneren dat hij een gesprek met appellanten heeft gevoerd over hun activiteiten in [bedrijf 1]. Voorts heeft [naam] verklaard dat hij bijstandscliënten, die melding maken van werkzaamheden, doorverwijst naar hun eigen consulent inkomen of consulent werk. Appellanten hebben geen begin van bewijs geleverd dat zij op enig moment met [naam] hebben gesproken en dat daarbij de werkzaamheden in of ten behoeve van het bedrijf ter sprake zijn gekomen. Bij onderzoek in het geautomatiseerde systeem is het college niet gebleken dat [naam] over een gesprek met appellanten heeft gerapporteerd of een aantekening of notitie heeft gemaakt. Bovendien zijn de verklaringen die appellanten over het gestelde gesprek met [naam] tegenover de sociale recherche hebben afgelegd niet eenduidig. Volgens appellant heeft [naam] gezegd dat het geen probleem was dat appellant in het weekend zijn dochter ging helpen, omdat het in een weekend was, en heeft appellant daarbij ook nog gemeld dat zij voor de gezelligheid en de veiligheid met hun dochter meegingen. Appellante heeft verklaard dat zij en appellant toestemming hebben gekregen om met hun kinderen naar [bedrijf 1] te gaan, maar toen niet hebben gezegd dat zij ook werkzaamheden voor hun kinderen verrichten. De woorden “werken” en “helpen” hebben zij in dit gesprek niet gebezigd, terwijl appellante zich niet kon herinneren dat zou zijn gezegd dat zij om veiligheidsredenen zouden zijn meegegaan. Gelet op een en ander kan niet worden geoordeeld dat appellanten van het college toestemming hebben gekregen om werkzaamheden in het bedrijf te verrichten of voort te zetten en evenmin dat daartoe van de zijde van het college de schijn of indruk is gewekt. Dit betekent tevens dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij door middel van een gesprek met genoemde intakefunctionaris het college hebben geïnformeerd over hun werkzaamheden in het bedrijf.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e1a60b2df3fb234893cee2ebc58e55ea1ea7b18df5b0e0a6a490fcab9c3675d7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e1a60b2df3fb234893cee2ebc58e55ea1ea7b18df5b0e0a6a490fcab9c3675d7, en de alinea staat in dat document op bytes 24816 tot 27058.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e1a60b2df3fb234893cee2ebc58e55ea1ea7b18df5b0e0a6a490fcab9c3675d7 | shasum -a 256