Citaat | Centrale Raad van Beroep 20 april 2016
Onder 4.2. Centrale Raad van Beroep 20 april 2016
Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1429.
Artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bevat de waarborg dat een ieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld – een boeteoplegging wordt aangemerkt als het instellen van een strafvervolging – voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen. Deze waarborg brengt mee dat het Uwv feiten moet stellen en, voor zover betwist, moet aantonen dat als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting onverschuldigd uitkering is betaald. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund (vgl. overweging 4.8.3 in ECLI:NL:HR:2011:BN6324 en overweging 3.1 in ECLI:NL:RVS:2014:2511). Staat de overtreding vast, dan is van essentiële betekenis dat de overtreder van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt te maken valt (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2015:2827).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/40d633b3dd45c94673338ede41548aefa7415529e46a591511971e0359ffbead. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 40d633b3dd45c94673338ede41548aefa7415529e46a591511971e0359ffbead, en de alinea staat in dat document op bytes 11978 tot 12971.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/40d633b3dd45c94673338ede41548aefa7415529e46a591511971e0359ffbead | shasum -a 256