Citaat | Centrale Raad van Beroep 1 juni 2016

Onder 6.4. Centrale Raad van Beroep 1 juni 2016

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1877.

Het bewijs dat de studerende over de gehele periode in geding niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 voor hem geldende verplichtingen berust derhalve voor een zeer belangrijk deel op een vermoeden. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) kan worden afgeleid dat het gebruik van – wettelijke of feitelijke – vermoedens binnen redelijke grenzen op zich niet in strijd is met de in artikel 6, tweede lid, van het EVRM neergelegde onschuldpresumptie. Bij het gebruik van dergelijke vermoedens dient rekening te worden gehouden met het belang dat op het spel staat en het gebruik van een vermoeden vindt in ieder geval zijn grens in de eerbiediging van de rechten van de verdediging (onder meer Salabiaku tegen Frankrijk, arrest van het EHRM van 7 oktober 1988, nr. 10519/83, NJ 1991/351).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0a472c030e5289dc399925e3deca00d5918e5c27d4fb387040379f110e55bdb9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0a472c030e5289dc399925e3deca00d5918e5c27d4fb387040379f110e55bdb9, en de alinea staat in dat document op bytes 22374 tot 23250.