Citaat | Centrale Raad van Beroep 1 juni 2016
Onder 4.5. Centrale Raad van Beroep 1 juni 2016
Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2068.
Artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bevat de waarborg dat een ieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld – een boeteoplegging wordt aangemerkt als het instellen van een strafvervolging – voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen. Deze waarborg brengt mee dat het Uwv feiten moet stellen en, voor zover betwist, moet aantonen dat als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting onverschuldigd uitkering is betaald. In geval van twijfel dient aan de uitkeringsontvanger het voordeel van de twijfel te worden gegund (vgl. overweging 4.8.3 in ECLI:NL:HR:2011:BN6324, overweging 3.2 in ECLI:NL:RVS:2014:3446 en overweging 4.2 in ECLI:NL:CRVB:2016:1429). De bewijslast bij een bestraffende sanctie als hier aan de orde is dus zwaarder dan die bij de toepassing van de artikelen 44 en 57 van de WAO.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7b705bf1f1843d44c65f044770621d4982f0fd5aaee2991d13ded829508cf369. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7b705bf1f1843d44c65f044770621d4982f0fd5aaee2991d13ded829508cf369, en de alinea staat in dat document op bytes 20951 tot 21898.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7b705bf1f1843d44c65f044770621d4982f0fd5aaee2991d13ded829508cf369 | shasum -a 256