Citaat | Centrale Raad van Beroep 28 juni 2016
Onder 4.11. Centrale Raad van Beroep 28 juni 2016
Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024.
Allereerst dient te worden bezien of het hanteren van een vermoeden als bedoeld onder 4.2, beoordeeld naar de onder 4.10 genoemde maatstaf, in voldoende mate recht doet aan de ingevolge het nationale recht geldende regels. Dit betreft in het bijzonder de op grond van de in artikel 6, tweede lid, van het EVRM geldende waarborgen die, ook met betrekking tot de bewijslevering, gelegen zijn in onder meer het fair trial beginsel en in het reeds genoemde vermoeden van onschuld. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) laat toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens (arrest van het EHRM van 7 oktober 1988, no. 10519/83, Salabiaku tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:1988:1007JUD001051983), maar dat gebruik daarvan niet ertoe mag leiden dat de bewijslast wordt verschoven van het boete opleggende orgaan naar de belanghebbende. Het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2ffac4f0c94ae09ad8922bd2e2b9afaf1998dc759664085f980b0f9dcbf6e2fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2ffac4f0c94ae09ad8922bd2e2b9afaf1998dc759664085f980b0f9dcbf6e2fd, en de alinea staat in dat document op bytes 19498 tot 20462.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2ffac4f0c94ae09ad8922bd2e2b9afaf1998dc759664085f980b0f9dcbf6e2fd | shasum -a 256