Citaat | Centrale Raad van Beroep 30 augustus 2016

Onder 4.17. Centrale Raad van Beroep 30 augustus 2016

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 30 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3288.

Appellanten hebben aldus uit eigen beweging en nadat zij bij het voornemen tot het opleggen van een boete op hun zwijgrecht waren gewezen verklaard dat zij in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres hadden. Dat zij voor het gehoor van 23 augustus 2013 niet op hun zwijgrecht zijn gewezen, daargelaten of dat, gelet op de aanleiding voor en de inhoud van dat gesprek was vereist, heeft er dus niet aan in de weg gestaan dat zij nadien in vrijheid schriftelijk hebben verklaard dat zij in de te beoordelen periode in [V.] hebben gewoond. Deze verklaring, gevoegd bij de aanwijzingen die het college vóór dat gehoor al had en de aanwijzingen die volgen uit de op 23 augustus 2013 overgelegde bankafschriften, vormt voldoende grondslag voor de conclusie van het college dat appellanten over de te beoordelen periode de inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat als gevolg daarvan hun recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daarbij betrekt de Raad dat het zwijgrecht niet inhoudt dat iemand op geen enkele manier kan worden gedwongen aan zijn eigen veroordeling mee te werken en dat iemand wel kan worden gedwongen materiaal over te leggen dat onafhankelijk van zijn wil bestaat, zoals zijn bankafschriften (zie het arrest van het EHRM van 17 december 1996, ECLI:NL:XX:1996:ZB6862).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ac94aaea773d2ef69caecd01867e6ff6262c918d66ebd63c1b0c6fe2cba72204. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ac94aaea773d2ef69caecd01867e6ff6262c918d66ebd63c1b0c6fe2cba72204, en de alinea staat in dat document op bytes 23687 tot 25027.