Citaat | Centrale Raad van Beroep 13 september 2016
Onder 7.6. Centrale Raad van Beroep 13 september 2016
Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 13 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3399.
Bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak (uitspraak van 21 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC9247) ook zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene (uitspraak van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0342). In het licht hiervan is voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit (uitspraak van 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF1067).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/03fd1606ea8285cf63137d4df0822014ea09f32ab0896edb81efbc9637605043. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 03fd1606ea8285cf63137d4df0822014ea09f32ab0896edb81efbc9637605043, en de alinea staat in dat document op bytes 31263 tot 32391.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/03fd1606ea8285cf63137d4df0822014ea09f32ab0896edb81efbc9637605043 | shasum -a 256