Citaat | Centrale Raad van Beroep 25 november 2016

Onder 4.2.2. Centrale Raad van Beroep 25 november 2016

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 25 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4507.

Vaststaat dat appellant ten opzichte van een Nederlands ingezetene. Hoewel bij appellant evenals bij een ingezetene in hetzelfde leeftijdscohort in gelijke mate een tijdvak van de pensioenopbouw aan de voorkant vervalt, wordt appellant ten opzichte van die ingezetene ongelijk behandeld, nu hij – voorondersteld dat hij niet opnieuw verzekerd raakt voor de AOW – de vervallen opgebouwde tijdvakken aan het eind van de pensioenopbouw niet kan compenseren. Van een overduidelijke onevenredigheid is hierbij evenwel geen sprake. De basisgedachte bij een volksverzekering als de AOW houdt immers in dat de overheid van een land alleen sociale bescherming door middel van een verplichte verzekering biedt aan personen die door ingezetenschap of het verrichten van bepaalde arbeid een voldoende band hebben met dat land. Hierbij speelt de solidariteit een belangrijke rol. Niet kan worden gezegd dat bij dit stelsel sprake is van een overduidelijke onevenredigheid (zie naar analogie de arresten bij de ongelijke behandeling van ingezetenen en niet-ingezetenen. Hieraan kan niet afdoen de stelling van appellant dat de Nederlandse regelgever bij de invoering van de verhoging van de AOW-leeftijd andere, voor appellant mogelijk minder nadelige, keuzes had kunnen maken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b6a6698597f7206c652b69dde10dd1a15967c1c9c3bb454cecbf7f96bcc56006. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b6a6698597f7206c652b69dde10dd1a15967c1c9c3bb454cecbf7f96bcc56006, en de alinea staat in dat document op bytes 14022 tot 15302.