Citaat | Centrale Raad van Beroep 13 juli 2017

Onder 4.2.5. Centrale Raad van Beroep 13 juli 2017

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 13 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2401.

De Raad is van oordeel dat het college appellant terecht gebonden heeft geacht aan de vso en het daaruit voortvloeiende ontslagbesluit bij het bestreden besluit terecht heeft gehandhaafd. Dat appellant ten tijde van het sluiten van de vso niet in staat was zijn wil te bepalen is niet gesteld of gebleken. Van ontoelaatbare druk is evenmin sprake geweest. Weliswaar kan worden gezegd dat appellant, geconfronteerd met het vermoeden dat hij betrokken was bij fraude en na inzage van het onderzoeksrapport, in enige mate emotionele en sociale druk heeft ervaren, maar appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn wil ten aanzien van de minnelijke beëindiging van zijn dienstverband niet in vrijheid dan wel slechts onder onaanvaardbare druk heeft kunnen bepalen. Daarbij kent de Raad betekenis toe aan het feit dat appellant werd bijgestaan door een advocaat, die het initiatief heeft genomen om te komen tot een minnelijke beëindiging van het dienstverband en daarbij aan het college heeft voorgesteld dat het college afziet van het doen van aangifte jegens appellant en die de vso in concept heeft opgesteld. Appellant had er in overleg met zijn advocaat immers ook voor kunnen kiezen om het te laten aankomen op een aangifte en op te komen tegen een eventueel strafontslag. Het college mocht ervan uitgaan dat de advocaat het rapport had beoordeeld en appellant aan de hand daarvan had geadviseerd over zijn rechtspositie. Verder is van belang dat er tussen de dag van ondertekening van de vso door het college en de dag van ondertekening door appellant een als bedenktijd aan te merken periode van ongeveer een week is gelegen, waarin appellant de gelegenheid heeft gehad om de regeling terug te draaien indien hij dat had gewenst. Het is bovendien niet aannemelijk dat appellant, indien hij destijds ontoelaatbare druk had ervaren, bijna een jaar zou hebben gewacht, namelijk tot 11 augustus 2014, met het inroepen van de nietigheid van de vso. Tot slot overweegt de Raad dat aan de (conclusie van de) notitie van mr. dr. Anthonisse van 18 mei 2017 niet de betekenis toekomt die appellant daaraan toegekend wil zien, omdat - nog daargelaten diens deskundigheid, die door het college is betwist - Anthonisse ten onrechte slechts van belang acht hoe appellant de omstandigheden heeft beleefd, waaronder hij tot het sluiten van de overeenkomst is gekomen. Het gaat er immers om of die omstandigheden objectief bezien zodanig waren dat kan worden gesproken van ontoelaatbare druk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7baf474f78d4cbf70fd121b5030e0493e77c96589db8884a7fa74cc98c9e3e99. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7baf474f78d4cbf70fd121b5030e0493e77c96589db8884a7fa74cc98c9e3e99, en de alinea staat in dat document op bytes 12432 tot 14935.