Citaat | Centrale Raad van Beroep 8 mei 2018

Onder 4.2.1. Centrale Raad van Beroep 8 mei 2018

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 8 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1364.

Het ligt op de weg van appellante om haar standpunt te onderbouwen en twijfel te zaaien ten aanzien van de juistheid van de onderzoeksbevindingen. Hierin is zij niet geslaagd. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante gewezen op haar aangifte wegens identiteitsfraude bij de politie in [gemeente 2] van 29 januari 2016. In het proces-verbaal van die aangifte komt naar voren dat appellante haar identiteitskaart wel eens is kwijtgeraakt en dat zij vermoedt dat een ander persoon met die verloren kaart een bestaan heeft opgebouwd in België. Met deze aangifte heeft appellante echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van identiteitsfraude. Zij heeft deze aangifte immers pas een half jaar na het gesprek van 12 juni 2015 gedaan, tijdens welk gesprek zij is geconfronteerd met het feit dat zij (ook) in België stond ingeschreven. Dit geldt ook voor het gegeven dat de gemachtigde van appellante op 2 maart 2016 navraag heeft gedaan bij [NV] of zij appellante herkennen als degene die bij hen werkzaam was. [NV] heeft naar aanleiding hiervan slechts te kennen gegeven de nodige informatie aan de Belgische politie te hebben verstrekt. Niet is gebleken dat justitieel onderzoek in België dan wel in Nederland aanwijzingen voor identiteitsfraude heeft opgeleverd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcf66e15f86670f0a2446133f124adc0957c8189e888caa95c56f90b3ab012e4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcf66e15f86670f0a2446133f124adc0957c8189e888caa95c56f90b3ab012e4, en de alinea staat in dat document op bytes 15459 tot 16759.