Citaat | Centrale Raad van Beroep 8 mei 2018
Onder 4.12. Centrale Raad van Beroep 8 mei 2018
Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 8 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1364.
Vaststaat dat het bij de onder 4.10 genoemde stukken gaat om voor de vaststelling van het recht op bijstand noodzakelijke gegevens en dat appellante heeft nagelaten die stukken tijdig over te leggen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar ter zake geen verwijt valt te maken. Appellante stelt ook ter onderbouwing van dit standpunt dat zij slachtoffer is geworden van identiteitsfraude in België. Uit wat onder 4.2 is overwogen volgt dat zij dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien laat dit onverlet dat zij - ook in geval van identiteitsfraude - in staat moet zijn geweest om tijdig de bankafschriften over te leggen. De bankrekeningen stonden immers op haar naam. Appellante heeft ook aangegeven dat het haar via de bewindvoerder uiteindelijk is gelukt om de beschikking te krijgen over enkele Belgische bankafschriften. Indien zij niet tijdig hierover kon beschikken, had het op haar weg gelegen tijdig uitstel aan het college te vragen. Dit heeft appellante nagelaten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcf66e15f86670f0a2446133f124adc0957c8189e888caa95c56f90b3ab012e4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcf66e15f86670f0a2446133f124adc0957c8189e888caa95c56f90b3ab012e4, en de alinea staat in dat document op bytes 27316 tot 28321.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fcf66e15f86670f0a2446133f124adc0957c8189e888caa95c56f90b3ab012e4 | shasum -a 256