Citaat | Centrale Raad van Beroep 7 maart 2019

Onder 1.2. Centrale Raad van Beroep 7 maart 2019

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 7 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:659.

Het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit heeft voor het Uwv geen aanleiding gevormd om nieuw beleid op te stellen. In zijn brieven van 25 april 2018 en 26 juli 2018 heeft het Uwv het bestreden besluit onverkort gehandhaafd. Afwijzing van het verzoek van appellante is volgens het Uwv niet evident onredelijk, omdat het boetebesluit van 15 mei 2013 niet onrechtmatig is en destijds is genomen overeenkomstig de toen geldende regelgeving. De door appellante genoemde uitspraak van de Raad van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754, en de verstrekkende financiële gevolgen van het boetebesluit voor haar maken dat niet anders, omdat in het kader van de invordering met de financiële positie van appellante rekening wordt gehouden. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die maken dat afwijzing van het verzoek evident onredelijk is. Volgens het Uwv speelt bij een weigering om terug te komen van een in rechte vaststaande boete het lex mitior-beginsel geen rol, omdat dit beginsel zich beperkt tot lopende vervolgingen en dus niet ziet op vaststaande boetebesluiten, en kan het zich beroepen op het rechtszekerheidsbeginsel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1cc7ec9336806a12367e98c2c4d552904d3e99cb642f771729f07d252ba6c29f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1cc7ec9336806a12367e98c2c4d552904d3e99cb642f771729f07d252ba6c29f, en de alinea staat in dat document op bytes 8325 tot 9507.