Citaat | Centrale Raad van Beroep 4 maart 2020

Onder 4.1. Centrale Raad van Beroep 4 maart 2020

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.

Bij uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, in navolging van de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:896), geoordeeld dat bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen moeten worden doorlopen. De Raad heeft de Afdeling in deze lijn gevolgd (zie de uitspraak van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351). In deze lijn is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a891f8a4221fd0006f83d5c4962812e48c14babbfe6926d71bf65eb209168d4c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a891f8a4221fd0006f83d5c4962812e48c14babbfe6926d71bf65eb209168d4c, en de alinea staat in dat document op bytes 10537 tot 11421.