Citaat | Centrale Raad van Beroep 7 april 2020

Onder 4.3.2. Centrale Raad van Beroep 7 april 2020

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 7 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:877.

De mededeling is aan appellante gedaan in het bijzijn van een professioneel gemachtigde. Zij wisten dat op dat moment de bezwaarprocedure tegen de afgewezen aanvraag om een uitkering op grond van de Bbz 2004 nog liep. In die procedure zou een beoordeling plaatsvinden van de levensvatbaarheid van haar bedrijf, waarin zij die bedrijfsactiviteiten uitoefende. De toezegging had dus, gelet op de context van dat gesprek, de kennelijke bedoeling om de continuïteit van de bedrijfsactiviteiten mogelijk te maken tot aan de beslissing op bezwaar, zodat appellante bij een positieve beslissing op bezwaar het bedrijf met een uitkering op grond van het Bbz 2004 ongehinderd zou kunnen voortzetten. Die toezegging was dus kennelijk niet gericht op de situatie dat een negatieve beslissing op bezwaar zou volgen en appellante op algemene bijstand aangewezen zou zijn, waarbij volgens haar dan een van de PW afwijkend inkomensbegrip zou worden toegepast. Voor zover appellante en haar gemachtigde dat laatste beoogden, hadden zij dit daar en toen aan de orde moeten stellen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa4ee18068ae2fc07a8c915fdfcc23b59c6ac11f29823060353d9b64fb136b99. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa4ee18068ae2fc07a8c915fdfcc23b59c6ac11f29823060353d9b64fb136b99, en de alinea staat in dat document op bytes 14411 tot 15489.