Citaat | Centrale Raad van Beroep 11 oktober 2022

Onder 4.5.3. Centrale Raad van Beroep 11 oktober 2022

Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2207.

Het college heeft bij de belangenafweging groot gewicht toegekend aan de omstandigheid dat het het definitieve recht op bijstand over de jaren 2016 en 2017 niet zo spoedig mogelijk heeft vastgesteld. Op grond daarvan heeft het college besloten af te zien van terugvordering van te veel betaalde bijstand over 2017. Voor het jaar 2018 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het definitieve recht op bijstand niet te laat is vastgesteld. Het college heeft het definitieve recht op bijstand over 2018 namelijk vastgesteld in het jaar na het boekjaar. Daarnaast heeft het college de persoonlijke omstandigheden van appellante meegewogen en in het bijzonder de beperkingen bij het voeren van een goede administratie die zij als gevolg van medische aandoeningen ondervindt. Hiermee is appellante zeker niet tekort gedaan en heeft het college geen blijk gegeven van een onevenwichtige belangenafweging. De Raad volgt het college allereerst in het onderscheid dat hij tussen 2017 en 2018 maakt. Voorts is van belang dat – in het midden gelaten de vraag of appellante het toekenningsbesluit heeft ontvangen – en anders dan zij in haar beroepsgronden aanvoert, appellante al voor de bestreden besluitvorming wist dat zij haar jaarrekeningen tijdig moest aanleveren en dat deze relevant waren voor vaststelling van het definitieve recht op bijstand. Dit blijkt namelijk uit het onder 1.2 weergegeven telefoongesprek van 15 april 2019. Ook heeft appellante ter zitting toegegeven dat zij eigenlijk wel wist dat dit een verplichting was, ook omdat dezelfde verplichting bij de bijstandsverlening op grond van de Bbz 2004 ook al gold. Appellante heeft weliswaar frequent een gewijzigd inkomen doorgegeven, maar niet de uiteindelijke jaarrekeningen, waarvan gelet op de datering, wel aannemelijk is dat appellante daarover al geruime tijd beschikte. De steeds door appellante aan het college doorgegeven geprognotiseerde inkomsten en de in de jaarrekeningen opgenomen definitieve inkomsten verschillen van elkaar. Het verschil is in ieder geval niet alleen veroorzaakt door de moeilijkheden die appellante door haar medische aandoening ondervond bij het voeren van een administratie. Appellante heeft ter zitting namelijk toegelicht dat er ook sprake was van een verkeerde inschatting van wat zij van een opdrachtgever vergoed zou krijgen. Bovendien had appellante een boekhouder. Voor zover de boekhouder van appellante onjuist of onzorgvuldig heeft gehandeld, geldt dat dit het college niet kan worden tegengeworpen en de gevolgen hiervan voor rekening van appellante dienen te blijven. Appellante had dan ook redelijkerwijs moeten weten dat er consequenties van het jaren later aanleveren van de jaarrekeningen voor haar recht op bijstand konden zijn en had hier rekening mee kunnen houden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/13bddc5b5052e63ff5d1b40a0d8ec230f7bb1702c8b9331cd018481b94a94a3d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 13bddc5b5052e63ff5d1b40a0d8ec230f7bb1702c8b9331cd018481b94a94a3d, en de alinea staat in dat document op bytes 22998 tot 25806.