Citaat | Centrale Raad van Beroep 20 april 2022
Onder 4.3. Centrale Raad van Beroep 20 april 2022
Een alinea uit Centrale Raad van Beroep 20 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:897.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest, waarbij in aanmerking wordt genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie heeft opgevraagd bij en verkregen van de huisarts van appellante, waaronder over haar psychische klachten. De medische voorgeschiedenis van appellante, waaronder de onder 3.1 genoemde klachten, is in het rapport van de verzekeringsarts op pagina één samengevat weergegeven en is dus, anders dan appellante heeft gesteld, kenbaar bij de beoordeling betrokken. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusie. Op het spreekuur van 8 januari 2019 heeft de verzekeringsarts bij psychisch onderzoek geen tekenen van psychopathologie vastgesteld, met uitzondering van invoelbare zorgen over privé en sociale problematiek. Op dat moment had appellante nog niet (opnieuw) behandeling voor haar psychische klachten gezocht. Op 21 maart 2019, toen de verzekeringsarts telefonisch contact had met appellante, had zij zich inmiddels wel laten doorverwezen naar de GGZ en was zij in afwachting van een eerste afspraak aldaar. De verzekeringsarts heeft gemotiveerd toegelicht dat deze verwijzing op zichzelf geen reden is om appellante ernstiger beperkt te achten dan al gedaan. Met de spanningen en persoonskenmerken was al rekening gehouden door beperkingen te stellen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder navolgbaar geconcludeerd dat rondom de datum in geding ook geen sprake was van verergerde psychische klachten. De aangegeven verergering van de psychische klachten die de huisarts in september en oktober 2019 heeft beschreven, wordt bij de huidige beoordeling buiten beschouwing gelaten omdat deze dateert van ruim na de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook navolgbaar geconcludeerd dat de lichamelijke klachten van appellante rondom datum in geding niet van zodanige aard waren dat deze tot meer beperkingen leiden. Op 2 oktober 2018 heeft appellante de huisarts bezocht in verband met uitstralende schietende elektrische pijn in de rechterarm tot de hand. De neuroloog die appellante op 18 januari 2019 heeft gezien, heeft geconcludeerd dat appellante tendomyogene nekpijn heeft, met ook enige uitstraling naar de rechterarm en toegelicht dat er geen relatie is tussen discusbulging en nekpijn. Wel heeft de neuroloog een MRI geadviseerd om wortelcompressie te beoordelen. Uit de latere gegevens van de huisarts werd bij de bevindingen van de MRI bij de neuroloog echter niets gezien. Omdat twijfel aan de medische beoordeling van het Uwv van de belastbaarheid van appellante op de datum in geding ontbreekt, bestaat er geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een deskundige.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/775aff4e5c14f37aea8c4ece8ff73c33ec1ae7021e55271f0a84b0b4c177092d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 775aff4e5c14f37aea8c4ece8ff73c33ec1ae7021e55271f0a84b0b4c177092d, en de alinea staat in dat document op bytes 10927 tot 13929.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/775aff4e5c14f37aea8c4ece8ff73c33ec1ae7021e55271f0a84b0b4c177092d | shasum -a 256