Citaat | Gerechtshof Amsterdam 13 februari 2002
Alinea 26 Gerechtshof Amsterdam 13 februari 2002
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 13 februari 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AE0917.
5.1.2 Uit de wettekst blijkt niet of de juridische eigendom, de tenaamstelling van de aandelen, doorslaggevend is voor het hebben van een aanmerkelijk belang. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad is echter af te leiden dat zulks niet het geval is. In het arrest van 14 juni 1995, nr. 30.144, BNB 1995/235 oordeelde de Hoge Raad dat de kopers van aandelen die recht hadden op de levering daarvan, onder het bereik van de aanmerkelijkbelangregeling vielen. In het arrest van 30 juni 1999, nr. 34.579, BNB 1999/301 oordeelde de Hoge Raad dat voor het antwoord op de vraag of een belastingplichtige als houder van een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 39, derde lid van de Wet moest worden aangemerkt, beslissend was of hij het economische belang bij de aandelen had.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/02cb6ffb1c191a9d3225377028cfe5b201b30fbec8c8de765e4d531618bdcbb5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 02cb6ffb1c191a9d3225377028cfe5b201b30fbec8c8de765e4d531618bdcbb5, en de alinea staat in dat document op bytes 12037 tot 12827.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/02cb6ffb1c191a9d3225377028cfe5b201b30fbec8c8de765e4d531618bdcbb5 | shasum -a 256