Citaat | Gerechtshof Amsterdam 7 oktober 2002
Alinea 46 Gerechtshof Amsterdam 7 oktober 2002
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 7 oktober 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AE8413.
1. verdachte heeft enkele dagen voor de verdwijning van zijn echtgenote [slachtoffer] de SIM-kaart van haar telefoon opzettelijk vernield. Ter terechtzitting heeft verdachte hiervoor als verklaring gegeven dat het pesterig was. Hij zou zich hebben geërgerd aan het veelvuldige bellen en gebeld worden door/van [slachtoffer]. Door deze vernieling was [slachtoffer] genoodzaakt een nieuwe telefoon aan te schaffen. Blijkens de verklaring van de verkoper [getuige 4] van de betreffende telefoonwinkel en de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, heeft verdachte dit trachten te voorkomen, door - buiten medeweten van [slachtoffer] om- de verkoper te benaderen en hem te vragen geen telefoon aan haar te verkopen. Blijkens de verklaring van [getuige 4] zou verdachte de telefoon voor zijn echtgenote zelf betalen en komen ophalen. Toen de verkoper verdachte op vrijdag 10 november 2000 belde met de mededeling dat de telefoon binnen was, heeft verdachte aangegeven de telefoon pas zaterdag, 11 november 2000, op te komen halen. Op dinsdag 14 november 2000 heeft verdachte vervolgens het oude, defecte, toestel van [slachtoffer] uit de winkel opgehaald, en daarbij blijkens de verklaring van de verkoper gezegd dat hij (naar het hof begrijpt: met het kapotte toestel) naar de politie zou gaan. Verdachte heeft dit echter niet gedaan en heeft daarvoor ter terechtzitting in hoger beroep geen duidelijke reden gegeven. Tevens heeft verdachte aan [getuige 4] gezegd dat hij aan niemand mocht vertellen dat verdachte een toestel voor [slachtoffer] zou kopen. Het hof leidt uit deze gebeurtenissen af dat verdachte al enkele dagen vóór de vermissing een plan had bedacht om te voorkomen dat [slachtoffer] op en na 10 november 2000 telefonisch bereikbaar was of zelf anderen zou kunnen bellen en voorts om te voorkomen dat [slachtoffer] via haar mobiele telefoon door opsporingsinstanties langs technische weg zou kunnen worden getraceerd. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zijn eigen mobiele telefoon (juist om niet getraceerd te kunnen worden) opzettelijk heeft vernield toen hij op 16 november 2000 op de vlucht was geslagen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aabfd41b926f7e90f14d8fd4e6e933790b5a85ea73a05f13bde968077f268b39. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aabfd41b926f7e90f14d8fd4e6e933790b5a85ea73a05f13bde968077f268b39, en de alinea staat in dat document op bytes 12815 tot 15005.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/aabfd41b926f7e90f14d8fd4e6e933790b5a85ea73a05f13bde968077f268b39 | shasum -a 256