Citaat | Gerechtshof Amsterdam 6 juni 2002
Alinea 38 Gerechtshof Amsterdam 6 juni 2002
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 6 juni 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF1331.
5.2. De omstandigheid dat aan het PBCF bij voorbaat kwijtschelding op de voet van artikel 67, eerste lid, ten derde, van de Wet is verleend en dat deze rechtspersoon van ontvangen schenkingen geen aangifte behoeft te doen berust, naar het hof aannemelijk acht, op het vertrouwen van de staatssecretaris van Financiën dat het PBCF overeenkomstig zijn doelstelling werkzaam is en overeenkomstig die doelstelling werkzaam zal blijven. Dit vertrouwen is kennelijk gebaseerd op de wijze waarop het PBCF zijn middelen aanwendt. Het hof is van oordeel dat deze omstandigheid een rechtens relevant verschil is met de situatie van belanghebbende, nu belanghebbende alleen nog maar gelden ontvangen heeft en nog geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht ter bevordering van kunst en wetenschap. Daaraan doet niet af dat de intentie tot het verrichten van deze werkzaamheden wel aanwezig is en ook in bestuursnotulen is vastgelegd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2efdbd589271571a8a6c8829f3ca9ee9898d1b9bc982b9d6173761e9726fb29c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2efdbd589271571a8a6c8829f3ca9ee9898d1b9bc982b9d6173761e9726fb29c, en de alinea staat in dat document op bytes 11948 tot 12885.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2efdbd589271571a8a6c8829f3ca9ee9898d1b9bc982b9d6173761e9726fb29c | shasum -a 256